Selecteer een pagina
Via de muziek ontstaat er een band ook al versta je elkaar niet

CCO
Via de muziek ontstaat er een band ook al versta je elkaar niet

Via de muziek contact maken met vluchtelingen, dat was het doel van het Catching Cultures Orchestra, dat ruim een jaar geleden werd opgericht door het Utrechtse amateurorkest De Tegenwind. Is dat gelukt? En hoe zorg je dat zo’n project ook echt van de grond komt? Een reportage van Ditty Eimers.

‘Salamalek’

Zo’n veertig muzikanten staan op een zondagmiddag in november 2015 op het podium in de foyer van muziekcentrum Tivoli Vredenburg. Muzikale asielzoekers uit het AZC Utrecht, verenigd in “De Band zonder Verblijfsvergunning” geven samen met de blazers en percussionisten van orkest De Tegenwind een concert. Het is het eerste optreden van het Catching Cultures Orchesta- in wording. In de foyer zit vooral Utrechts publiek. Er wordt beleefd geklapt na het eerste nummer.

Plotseling komt een stoet van meer dan honderd vluchtelingen uit Syrië binnen. Ze zijn net aangekomen in de Jaarbeurs, waar inderhaast een noodopvang voor hen is ingericht. De meesten hebben een barre reis achter de rug, vaak via illegale smokkelroutes. Ze weten bij god niet hoe hun toekomst eruit zal zien.

Een paar minuten lang staan ze schuchter te kijken, maar als de Afghaanse zanger Homayoon de klassieker “Salamalek”’ (geef ons een beetje vrede) inzet, is het ijs gebroken. Iedereen begint te klappen, mee te zingen en te dansen. Even later ontroert de Palestijnse Syriër Mohammed Alsamna de hele zaal. Met een technisch perfecte solo op de oed (de Arabische voorloper van de luit) dwingt hij bewondering af, maar het is vooral zijn hartverscheurende zangpartij die iedereen raakt.

“Muziek is een heel goed middel om contact te maken van mens tot mens”, zegt Hermine Schneider, muzikaal leider van De Tegenwind. Hermine is een van de drijvende krachten achter het Catching Cultures Orchestra (CCO), een muzikaal project waarmee De Tegenwind eind 2014 startte. “Laten we via de muziek verbinding proberen te maken met vluchtelingen en een groot orkest opbouwen.” Zo luidde het idee dat ze in september 2014 aan De Tegenwind voorlegde. Dat was nog voordat de grote stroom vluchtelingen uit Syrië op gang kwam. “Ik vond het schrijnend dat we in Nederland nauwelijks echt in contact komen met vluchtelingen”, vertelt ze.

Vanaf begin 2014 maakte De Tegenwind al regelmatig muziek met vluchtelingen van het AZC in Utrecht. “Via via hadden we gehoord dat daar wekelijks een groep vluchtelingen bij elkaar kwam om muziek te maken”, vertelt Roelof Wittink, sousafonist van De Tegenwind en zakelijk leider van het CCO. Jonas Biquet, muzikaal leider van De Band zonder Verblijfsvergunning was direct enthousiast, toen De Tegenwind voorstelde om af en toe mee te komen spelen tijdens hun wekelijkse repetitie.

“De vluchtelingen speelden voor ons en wij voor hen”, vertelt Roelof. “We verstonden elkaars taal niet, maar er was direct een goede sfeer.” Al improviserend werden een aantal nummers uit het repertoire van de asielzoekers gekozen, die ook voor de muzikanten van De Tegenwind herkenbaar en speelbaar waren. Hermine Schneider maakte er nieuwe arrangementen van.

Boost

Het eerste optreden in TivoliVredenburg gaf de gelegenheidsband een enorme boost. Roelof: “Je merkte: dit is vrolijk en het ráákt mensen.” Laten we kijken of we zoiets ook in andere steden van de grond kunnen tillen, besloot De Tegenwind. Het was net in die tijd dat verhalen over Syrische vluchtelingen die Duitse en Zweedse meisjes zouden belagen, in de media opdoken.

Overal in Nederland werden de protesten tegen de komst van steeds meer vluchtelingen luider. “Maar er was, zeker ook na de aanslag op het satirische Franse weekblad Charlie Hebdo, ook een sterke drang om juist samenwerking te zoeken tussen mensen met verschillende achtergrond en geloof”, vertelt Roelof. “Eigenlijk was iedereen in verwarring: hoe moeten we ons opstellen? Wij besloten gewoon door te gaan. Juist in het muzikale contact ontstaat begrip voor de positie van vluchtelingen, geloofden we.”

Toegegeven, het was een behoorlijk ambitieus en idealistisch plan, waarmee De Tegenwind aan de slag ging: samen met lokale muziekensembles een landelijk orkest formeren met vluchtelingenmuzikanten uit drie a vier verschillende AZC’s , en daarmee optreden op grote landelijke podia en festivals. “Vooraf hadden we geen idee wat daar allemaal bij kwam kijken”, zegt Roelof.

Geen drempels

Een sneu project, met zielige vluchtelingen die ook nog een beetje muziek kunnen maken, daar had niemand trek in. Het moest een muzikale kruisbestuiving worden, waar iedereen voldoening en plezier aan beleefde: de vluchtelingenmuzikanten, muzikanten van bestaande lokale ensembles en het publiek. Maar het uitgangspunt was: alle vluchtelingen die muziek willen maken, mogen meedoen. Roelof: “We wilden vooraf geen drempels opwerpen door audities te houden. Het ging ons er vooral om dat we contact wilden leggen via de muziek, een soort muzikale community opbouwen.”

Het Fonds voor Cultuurparticipatie, het VSB Fonds, het Prins Bernhard Cultuur Fonds en het Van Lange Fonds, het KF Hein Fonds, het Carel Negerfonds en het Elise Mathilde Fonds vonden het project zo veelbelovend , dat ze besloten subsidie toe te kennen. Ook De Vrolijkheid ( voluit Nationale Stichting ter Bevordering van Vrolijkheid) die samen met kinderen en volwassenen allerlei muzikale en andere creatieve activiteiten organiseert in asielzoekerscentra, ondersteunde het Catching Cultures Orchestra.

Hoe vind je vluchtelingenmuzikanten die zich voor lange tijd willen verbinden aan zo’n project en zich ook op een groot podium staande weten te houden? Dat was de volgende opgave voor de projectgroep, die bestond uit vier amateurmuzikanten van De Tegenwind en muzikaal leider Hermine Schneider.

“Via het COA hebben we contact gezocht met AZC ’s in het hele land”, vertelt Hermine. COA medewerkers van AZC ‘s in Echt, Zeist en Almere zagen wel mogelijkheden. Zij kenden muzikanten die ze met het Catching Cultures Orchestra in contact wilden brengen. Maar al die beloftes liepen op niets uit. De enthousiaste COA medewerker in Echt werd overgeplaatst, toen de grote asielzoekersstroom uit Syrië op gang kwam. Ook in andere AZC ‘s schoot het maar niet op. “Uiteindelijk hebben we ons eigen netwerk van muzikanten aangeboord”, vertelt Roelof. “Toen kreeg het project eindelijk vaart.”

Indruk maken

Roelof kende muzikant Ted van Leeuwen. Samen met Lex Pantelic, docent gitaar en wereldmuziek in Alkmaar en verbonden aan De Vrolijkheid, begeleidt hij Orchestre Partout, een band bestaande uit vluchtelingen, met het Alkmaarse AZC als thuisbasis. De twee stelden de bandleden voor om zich aan te sluiten bij het Catching Cultures Orchestra.

“Pas vanaf het moment dat De Tegenwind speciaal naar Alkmaar kwam om met ons mee te repeteren, stapten alle muzikanten aan boord, vertelt Lex. “Je kan van alles vertellen, maar om vluchtelingen in een AZC enthousiast te maken, moet je diepe indruk maken. Je moet hun dagelijkse sleur doorbreken, laten zien dat je echt moeite voor ze doet.” Zelf probeert hij altijd direct de nationaliteit te achterhalen van nieuwe vluchtelingen die iets met muziek hebben. “De eerste keer dat ze bij mij op gitaarles komen, zorg ik dat ik een liedje heb ingestudeerd uit hun land. Dan breken ze open: hé, een gast uit Nederland, die met mij als individu probeert te communiceren.”

“Zo’n heel orkest dat op een doordeweekse avond voor ons naar Alkmaar kwam, dat maakte echt indruk”, vertelt bassist Payam Motahhar van Partout. Hij is gevlucht uit Irak en woont al meer dan twee jaar in AZC Alkmaar. “Zoveel saxofonisten en koperblazers had ik nog nooit bij elkaar gezien. Dat verraste en maakte ons nieuwsgierig. Het was een soort positief schokeffect: wow, dit is leuk en spannend.”

Vooraf was er in de groep discussie: wat zijn dat voor mensen en wat levert dit project ons op? “Straks gaan zij scoren met onze succesnummers”, vreesden sommige muzikanten. Payam: “We wisten nog steeds niet wat de uitkomst zou zijn, maar dat positieve schokeffect trok ons over de streep.”

Geen lijstje

Partout legde contact met het internationale vrouwenkoor Mihira uit Alkmaar. Kladderadatsch, een bevriend straatorkest uit Nijmegen, zei ook ja toen de projectgroep vroeg of ze mee wilden doen. “Wij spelen wereldmuziek en het leek ons muzikaal inspirerend om samen te spelen met vluchtelingen”, vertelt trompettist Brendan MacCarthy. “Wij gaan ons uiterste best doen om vluchtelingenmuzikanten te vinden, beloofde de groep. “Maar dat ging niet vanzelf”, vertelt Brendan. “Je zou willen dat je bij het AZC of plaatselijke vluchtelingenorganisaties kunt aanbellen: doe mij een lijstje met goede muzikanten. Maar zij hebben daar totaal geen kijk op, helaas.”

Kladderadatsch had al een paar keer opgetreden in Heumensoord, de grote noodopvang in Nijmegen. Bij ieder optreden riepen ze muzikale vluchtelingen op om zich te melden. “Er heerste een sfeer van ontreddering, drieduizend onzekere vluchtelingen zaten op elkaar gepakt”, vertelt trompettist Marc van Lieshout van Kladderadatsch.

Een paar vluchtelingen reageerden, maar die waren allemaal van het type “één-vingerige pianist”: een trompettist die zeer matig speelde, een percussionist die dolblij was dat hij een percussie-instrument in handen kreeg, maar geen enkele bandervaring had. “Niemand had het niveau dat we zochten”, zegt Brendan. “En wij wilden niet meedoen aan een liefdadigheidsproject. We wilden samenspelen op basis van muzikale gelijkwaardigheid “

Ook contact zoeken via Facebook en andere sociale media leverde weinig op. Brendan: “Alle vluchtelingen lopen rond met een smartphone, dus we dachten dat dat de ideale manier was. Niet dus. Je moet jezelf heel vaak laten zien in opvangcentra, regelmatig optreden en je eigen netwerk inschakelen.”
Na lang zoeken vonden ze toch een aantal muzikanten met een behoorlijk niveau: amateurs en semiprofs. Via een oud-collega kwam Brendan ook in contact met bandcoach en wereldmuziekdocent Paul Freriks van de Hogeschool Arnhem, die in de voormalige Koepelgevangenis in Arnhem (ook een opvanglocatie voor asielzoekers) vluchtelingenmuzikanten begeleidt. Hij brengt muzikanten bij elkaar, coördineert optredens en organiseert muzikale uitwisselingen voor de vluchtelingen.

Exoten

“Ik was een beetje achterdochtig toen wij voor het Catching Cultures Orchestra werden gevraagd” vertelt Paul. “We worden voor van alles en nog wat gevraagd. Soms omdat mensen onze muziek leuk vinden, maar ook regelmatig omdat het wel leuk staat, een paar exoten erbij. Daar probeer ik de muzikanten tegen te beschermen. Vaak zijn er ook bar weinig voorzieningen geregeld. Onze groep bestaat uit professionele en semiprofessionele muzikanten, voornamelijk uit Syrië.

Ze hebben weinig leefgeld. Als ze voor niets optreden, mogen ze op zijn minst een reiskostenvergoeding verwachten. Plus gratis consumpties en iets te eten.” Dus dat is een van de eerste dingen waar hij altijd naar informeert. “Bij dit project was dat goed geregeld; de flyer zag er ook prima uit. We besloten de gok te wagen.”

De eerste repetitie in Nijmegen was een drama, herinnert Paul zich. “Muziek verbroedert, zegt iedereen, maar dat is veel te gemakkelijk gezegd.” Wissam, een van hun Syrische solozangers, werd in een koortje gezet met vier andere Syrische zangers. “In de Arabische muziek kennen we geen koren”, vertelt de Syrische geluidstechnicus Mahmoud Shaboo, die de muzikanten uit Arnhem samen met Paul begeleidt. In Damascus runde hij een eigen radiostation en hij is een groot kenner van Arabische muziek. Mahmoud: “Bij ons draait alles om de solist, als oedspeler of solozanger ben je een ster.” Voor Wissam, die in Damascus al furore had gemaakt als zanger, was het slikken dat hij samen moest zingen met vier anderen. “Helemaal toen bleek dat de andere zangers amateurs van het platteland waren. Wissam vond dat ze niet goed toon konden houden.”

Bescheiden

Eén van hen pakte direct de microfoon. “Wissam is een bescheiden jongen”, zegt Paul. “Hij durfde niet te protesteren.” Na afloop kwam Wissam met tranen in zijn ogen naar Paul en Mahmoud toe: “Fuck! Wat denken die Nederlanders eigenlijk? Dat ik samen ga zingen met een paar achterlijke Syrische boeren, die geen noot kunnen raken?” Gelukkig herkende Hermine, de muzikaal leider van CCO, al snel Wissams muzikale kwaliteit. Hij mocht een eigen nummer zingen. “De amateurzangers zijn langzaam bijgedraaid”, zegt Paul. “Ze stellen zich nu meer bescheiden op.”

“Voor jullie Nederlanders lijken alle Arabische vluchtelingen misschien op elkaar”, zegt Mahmoud voorzichtig. “Maar de onderlinge verschillen zijn groot: tussen mensen uit de stad en van het platteland, tussen amateurs en professionele muzikanten. Zomaar een club vluchtelingen bij elkaar zetten en denken dat het wel losloopt, werkt niet. Je moet ook oog hebben voor de gevoeligheden en voor het verschil in kwaliteit. En vlak het ego van de professionele muzikanten niet uit.”

Een van de lastige dingen is dat het in de Arabische cultuur niet gebruikelijk is om je duidelijk uit te spreken als iets je niet bevalt. Daarom is Paul heel blij dat Mahmoud als een soort tussenpersoon fungeert tussen hem en de muzikanten. Mahmoud spreekt goed Engels en heeft als promotor van Arabische muzikanten veel door Europa gereisd. Hij kent zowel de Europese als de Arabische cultuur. Soms krijgt Paul vage whatsapps van muzikanten als er weer een optreden van het CCO is gepland. “Kom je nou wel of niet?, denk hij dan. Of: “Waarom liet jij het plotseling afweten bij een optreden?”

Mahmoud vertelt hem wat er echt aan de hand is. “Soms is er iets dringends tussengekomen. Maar het kan ook zijn dat een muzikant er ongelofelijk van baalt dat de geluidsversterking bij een vorig optreden niet in orde was. Of dat hij zich overbodig voelt omdat hij als solo-instrumentalist samen moet spelen met twee anderen met hetzelfde instrument.”

Kruisbestuiving

Hoe laat je twee verschillende muziekstijlen- de Arabische en de westerse- samenkomen? En hoe zorg je ervoor dat ruim zeventig muzikanten met uiteenlopende muzikale achtergronden en van verschillend niveau samen muziek gaan maken? Dat was een van de grootste uitdagingen van het CCO.

“Ik ben geschoold in de westerse jazzmuziek”, vertelt muzikaal leider Hermine Schneider. “Toen ik hieraan begon, wist ik bijna niets van Arabische muziek.” De eerste keer dat ze in het AZC in Utrecht een solo speelde op haar trompet, vielen alle vluchtelingenmuzikanten direct stil. “We schrokken van elkaar, het kwam niet samen.” Later begreep ze dat Arabische muzikanten op een totaal andere manier solo’s spelen.

“In de westerse muziek soleer je op akkoorden. Akkoorden staan bij ons centraal: die dragen de melodie en zorgen voor spanningsbogen. Wij houden ook van de harmonische samenklank, het meerstemmige van akkoorden. In de Arabische muziek is het akkoord onbelangrijk of afwezig. Daar gaat het meer om complexe maatschema’s, ritmes en melodieën. Ze volgen met zijn allen de melodie en de solisten versieren die met een eigen patroon.”

Tijd om zich uitgebreid in de Arabische muziek te verdiepen was er niet. Daarom besloot Hermine vooral op haar oren af te gaan. “Ik vroeg alle vluchtelingenmuzikanten om hun favoriete muziek te spelen. Bij sommige liedjes hoorde ik direct de hitpotentie. Ik heb nummers uitgekozen waarvan ik dacht: dit kunnen mijn oren aan, die raken iets bij mij. En als het mij aanspreekt, kan het ook een groter publiek in Nederland aanspreken.”

Uiteindelijk bleek dat veel van de twaalf nummers die ze had uitgekozen op de hitlijsten staan in Arabische landen. Hermine: “Dat heeft een mooie uitwerking: de vluchtelingen in ons publiek gaan direct meezingen en dansen, het is allemaal heel herkenbaar.”

Niet heilig

Hermine arrangeerde de gekozen nummers op een westerse manier: ze zocht er akkoorden bij, zorgde voor andere ritmische accenten en maakte vraag- en antwoordfrases, zodat de muziek ook in westerse oren swingend klonk. Ook gaf ze de vele blazers in het orkest een veel grotere rol dan ze in de Arabische muziek hebben. Iedereen moest er lol in hebben, het koor, de blazers, de percussionisten, de solisten. “Ik denk dat je niet te bang moet zijn om te denken: nu kom ik aan hun muziek. Die is niet heilig, toch?”

Bij het instuderen van haar arrangementen veranderde de sfeer in het orkest. “Iedereen ging rechtop zitten, hé, dit is nieuw, wat gebeurt hier?”, vertelt Hermine. “De arrangementen pasten heel goed bij wat wij leuke muziek vinden om te spelen , zegt Marc van Kladderadatsch. “En de spotlights stonden op de vluchtelingen, met ondersteuning van ons. Dat werkte prima.”’

“In dit project is goed nagedacht over de sterke punten van elk ensemble’, vindt Lex van Orchestre Partout. “Wij zijn precies op de goede manier ingezet. Samen met Hermine hebben we drie nummers van ons repertoire gekozen, waarin onze solisten en onze energie maximaal tot hun recht kwamen. Wij zijn al een paar jaar bezig en we weten welke nummers aanslaan bij Nederlands publiek. Heel prettig dat we daarin serieus werden genomen.”

Arabisch?

“Als je bedenkt dat vier compleet verschillende ensembles en aantal Arabische solisten voor het eerst samen moesten spelen, is het heel wat, wat qua samenspel is bereikt”, zegt Paul. “Maar doet dit ook recht aan Arabische muziek?” Soms deed het pijn aan zijn oren, dat die prachtige meanderende Arabische melodieën in een keurslijf van westerse akkoorden waren geperst. “Ik vind het jammer dat er geen tijd was om echt aan te sluiten bij de Arabische muziek. Het repertoire is vaak lekker swingend, maar de specifieke klankkleuren en de emotionele lading die de vluchtelingen meegeven aan hun muziek, komen nu minder uit de verf.”

“Westerse oren zijn niet gebouwd op de verfijnde muziektaal van de Arabische muziek”, zegt Mahmoud. “Wij kunnen twee keer zoveel tonen kiezen als westerse muzikanten. Door net een kwarttoon hoger of lager te zingen of te spelen ontstaat er een extra muzikale laag, zonder dat het vals is. Die kwarttonen zijn voor ons het hart van de muziek. Het is jammer dat die nauwelijks te horen zijn in de muziek van het Catching Cultures Orchestra.” Hij haalt zijn schouders op. “Maar dat is echt geen ramp. Voor ons was het belangrijker dat we via de muziek met iedereen konden communiceren. Daarom is het prima om een muzikale taal te kiezen, die voor iedereen te begrijpen is.”

Koerdisch nummer

Sasspeler Mohammed Shareef is het daar hartgrondig mee eens. Als Koerdische Syriër is hij qua muziek internationaal georiënteerd. “De muziek van de Koerden staat al lang open voor westerse invloeden. Bij ons komt het allemaal niet zo nauw.” Dat een van zijn Koerdische nummers op het repertoire van het CCO is gekomen, is voor hem een geweldige opsteker. “Veel Syriërs beschouwen Koerden als tweederangsburgers. Voor mij is het heel belangrijk dat ik in dit gezelschap van Syriërs en Nederlanders ook iets van mijn eigen cultuur kan laten zien en horen.” Dat zijn nummer een van de populairste van het orkest is, is extra leuk. “Dit wordt een hit, dat wist ik van tevoren.”

Voor de Syrisch- Palestijnse darbukaspeler Ibrahim Khano, gespecialiseerd in Arabische en Turkse muziek, is het vooral belangrijk dat zijn professionaliteit werd erkend. Vanaf zijn veertiende speelt hij al als professioneel percussionist op podia in Syrië. “Het was voor mij wennen om met amateurs samen te spelen. Maar ik merk dat ik serieus word genomen. Soms klopt een percussiepatroon niet of is het tempo veel te hoog. Hermine gaat met me in gesprek als ik dat aangeef. Zo zorgen we er samen voor dat we de goede groove in de muziek krijgen.”

Gunfactor

Muzikaal gezien valt er nog wel wat te verbeteren, vinden sommige deelnemers. Tijdens optredens was de geluidskwaliteit van de versterking niet altijd in orde. “De meeste geluidstechnici weten niet hoe je Arabische instrumenten goed moet versterken”, zegt Mahmoud. Hij vraagt zich ook af of drie oedspelers niet wat te veel van het goede is. “De oed is een echt solo-instrument: daarvan heb je er eigenlijk maar één nodig in een band. Drie oeds goed op elkaar afstemmen is ook bijna onmogelijk.” Hij zou het aanwinst vinden als de band wordt uitgebreid met een ney, een oriëntaalse fluit. “Daarmee krijg je een veel mooiere klankverbinding tussen sas en oed aan de ene kant en koperblazers en saxofonisten aan de andere kant.”

Paul en Mohammed pleiten voor het houden van audities om de muzikale kwaliteit op te krikken. Mohammed: “Soms is de zang wel erg vals.” Paul: “Dit project heeft een hoge gunfactor. Nu vindt iedereen het nog geweldig leuk, maar hoe is dat over een half jaar? Als dit orkest blijft bestaan, zou het mooi zijn als je echt probeert aan te sluiten bij de Arabische muziekcultuur. Dat kost tijd, maar het levert wel meer uitdagende muziek op. Of gaat het vooral om contact maken en een communitygevoel? Ik verwacht dat de professionele vluchtelingenmuzikanten afhaken, als de kwaliteit niet omhoog gaat.”

Podia

Qua organisatie bleek het project een stuk complexer dan voorzien. Vooral het contact leggen met podia en festivals was een hels karwei, vertelt Roelof. “Eerst wilden we daar iemand voor inhuren, maar we konden geen geschikte persoon vinden. Ondertussen zaten we maar te vergaderen, terwijl er niets gebeurde.” De tijd drong, het was al december en er stonden nog nauwelijks optredens in de agenda.

Roelof besloot zich volledig vrij te maken om optredens te regelen. Hij begon in Utrecht rond te vragen, in zijn eigen netwerk: wie moet ik hebben voor het Bevrijdingsfestival? Wekenlang was hij er dagelijks mee bezig: met contacten leggen, telefoontjes plegen, vergaderingen bezoeken. Uiteindelijk lukte het om acht optredens vast te leggen, onder andere op het Bevrijdingsfestival in Utrecht, de Music Meeting in Nijmegen en Festival Mundial in Tilburg. Roelof: “Het draait allemaal om netwerken, op zoveel mogelijk plekken je gezicht laten zien en enthousiast je verhaal vertellen.”

De tryout in Rasa, op 24 april, herinneren veel muzikanten zich als een “kippenvelmoment”. Na vele repetities in Utrecht, Alkmaar en Nijmegen, kwam alles bij elkaar. “Daar stonden we met al die muzikanten op het podium”, vertelt Mohammed. “We hadden samen een enorme dynamiek, je voelde het bewegen en spetteren.” “Het was heel mooi om de kracht van zo’n groot ensemble te ervaren en er middenin te zitten”, zegt Lex. “Van te voren spreek je van alles af, maar als het dan ook echt werkt en je merkt hoe enthousiast het publiek reageert, dat is echt magisch.”

Regelwerk

Een hoop geregel was het wel, om steeds zo’n groep van zeventig muzikanten naar verschillende podia te krijgen. De meeste vluchtelingenmuzikanten uit Heumensoord, Arnhem en Utrecht waren inmiddels verhuisd naar andere locaties, verspreid over het hele land. “Dat betekende vervoer regelen, routes uitleggen, en er constant achteraan zitten dat iedereen op de afgesproken tijd ter plekke was”, vertelt Marc. Bovendien vereiste optreden op grote podia dat iedereen al uren van te voren aanwezig was voor de soundcheck. Ook al ging het soms om een optreden van hooguit een half uur. “Vooral voor de muzikanten van de amateurorkesten was dat vreselijk wennen”, zegt Roelof. ‘’Die zijn gewend een half uur voor een optreden te arriveren en direct uit te pakken.”

Soms kwam een solist zonder bericht niet opdagen en de Afghaanse solozanger haakte na het eerste optreden definitief af. “Vaak moesten we improviseren, maar dat hoort bij een project als dit”, zegt Hermine. “Als iemand van de solisten uitviel, waren er altijd wel anderen die het gat konden opvangen, desnoods door de tekst van de melodie van hun mobiele telefoon af te lezen.”

Roelof vindt het een enorme opsteker dat de meeste vluchtelingenmuzikanten bleven komen. Vooraf was hij gewaarschuwd dat de basis van een orkest met vluchtelingen vaak wankel is. Elk moment kunnen er mensen wegvallen: omdat ze plotseling moeten verhuizen, nare berichten van hun familie krijgen of de permanente onzekerheid moeilijk aankunnen. “Maar wij hebben gemerkt: als ze kunnen, komen ze bijna allemaal. Ook al moeten ze van heinde en ver naar een optreden reizen.”

Amateurzanger Fuad Bishtaw, voormalig directeur van een school in Syrië, moet vaak al om zeven uur ’s ochtends van huis vertrekken, sinds hij is overgeplaatst van Heumensoord naar een opvangcentrum in Zweeloo (Drente). Vaak weet hij niet of hij ’s avonds nog terug kan naar huis. Toch heeft hij nog bijna geen optreden van het CCO gemist. “Het orkest doorbreekt de eentonigheid van het eindeloze wachten in het AZC”, zegt hij.” Ook heeft hij nieuwe vrienden gemaakt en de muziek maakt hem vrolijk. Vorige week kookte hij in anderhalf uur een zesgangen-maaltijd voor de sopraansaxofoniste van De Tegenwind, die hem thuis had uitgenodigd. “Toen voelde ik me weer een beetje meer mens.” Echt lachen, uit de grond van zijn hart, lukt hem nog niet, zegt hij. Dat komt hopelijk weer als zijn vrouw en kinderen ook naar Nederland mogen komen. Na een zoektocht van anderhalf jaar heeft hij ze gelukkig eindelijk opgespoord; ze verblijven in een vluchtelingenkamp in Egypte.

In contact

Contact maken via de muziek was een van de belangrijkste doelstellingen van het Catching Cultures Orchestra. “Daarin is dit project volledig geslaagd”, vindt Marc. Door samen muziek te maken veranderden de muzikanten uit Syrië, Irak, Libië en Koerdistan voor hem van anonieme vluchtelingen in trotse muzikanten. “Ze werden mensen zoals jij en ik.” Mondjesmaat komen langzaam ook de verhalen los. Ahmad had op het platteland van Syrië een boerenbedrijf, dat totaal is verwoest. De vrouw van Omar is doodgeschoten in Libië. Fuad heeft foto’s laten zien van zijn hele gezin aan het strand, in gelukkiger tijden. Ibrahim vertelde dat hij steeds wakker ligt omdat zijn ouders middenin een wijk wonen, waar steeds bomaanslagen zijn.

“Je kunt je niet voorstellen wat dat allemaal betekent”, zegt Marc. “Maar we hoeven ons niet in allerlei bochten te wringen om te proberen te begrijpen wat niet te begrijpen valt. Via de muziek is er toch een band ontstaan.” Hij vindt het wonderbaarlijk dat de meeste vluchtelingen zo makkelijk in het gevoel van de muziek kruipen. Ondanks alles wat ze hebben meegemaakt. “Het kost veel tijd om alles te organiseren, maar je krijgt zoveel enthousiasme en vrolijkheid terug.”

“Het is leuk om ergens bij te horen”, zegt Mohammed. Het Catching Cultures Orchestra is steeds meer míjn project geworden.” Hij heeft er ook nieuwe kennissen bijgekregen.

Paul vindt het mooi dat de vluchtelingenmuzikanten steeds vaker samen muziek zijn gaan maken, in kleine groepjes. “Voorheen, als onze groep in Arnhem repeteerde, speelde ieder om de beurt een eigen nummer. Tijdens dit project heb ik ze voor het eerst echt samen horen spelen. Heel bijzonder.”

Brug

Voor Mahmoud, die net van De Koepelgevangenis naar een eigen woning in Arnhem is verhuisd, is het Catching Culture Orchestra ook een brug naar de Nederlandse samenleving. Hij hoopt hier als geluidstechnicus aan de slag te kunnen. “Via dit project heb ik op grote podia contact gelegd met professionele technici.”

Hij wordt al regelmatig gebeld om ergens in te vallen. “Als ik helemaal zelf mijn weg had moeten zoeken, had dat veel langer geduurd.” Het optreden op het Bombariefestival in Utrecht was voor hem het absolute hoogtepunt van het project. “Huh?”, zegt Mohammed. “Dat was toch dat grote terrein waar we ’s middags stonden geprogrammeerd? Daar was weinig publiek.”

“’Dat klopt”, lacht Mahmoud. “Maar er was wel een enorm DIGICO 8 mengpaneel, waar ik achter heb gestaan.” In Syrië bediende hij een DIGICO 5, de enige die in het hele land te vinden was. “Werken met een DIGICO 8 is al jaren mijn grote droom.”

 

Gepubliceerd op www.catchingculturesorchestra.nl