Intermediair, Reportage, Weekbladen
In de spreekkamer van de bedrijfsarts

Ziekteverzuim
In de spreekkamer van de bedrijfsarts

Om ziekteverzuim en arbeidsongeschiktheid terug te dringen zijn de ogen steeds meer gericht op de bedrijfsarts. Die moet zo vroeg mogelijk beginnen met voorkomen van ziekte en terugkeer naar het werk. Een verslag uit de spreekkamer van bedrijfsarts Jan van Griensven.

“Ik ben zwaar overspannen, ik hou het geen dag langer vol.” Mevrouw R. heeft zich vrijdag ziek gemeld en is maandagochtend de eerste patiënt op het spreekuur van bedrijfsarts Jan Van Griensven. Ze haalt een folder over depressiviteit uit haar tas. Haar klachten lijken verdacht veel op een beginnende depressie: gebrek aan concentratie, huilbuien, slapeloosheid. Ze heeft zich ziek gemeld om erger te voorkomen. De bedrijfsarts begrijpt zeker wel dat ze dringend een time-out nodig heeft? Bedrijfsarts Van Griensven is niet direct overtuigd. Is er misschien iets op het werk gebeurd waardoor ze zo van slag is?  Even hapt ze naar adem, maar dan barst ze los. “Ik laat me niet langer vernederen. Als ik het gevoel heb dat iemand me niet voor vol aanziet, kan ik niet functioneren. Ik sta niet voor mezelf in als ik bepaalde mensen tegenkom. Ik ben ziek van de spanning.” Het botert  al een tijdje niet met het afdelingshoofd. De brief die ze vorige week ontving, was de druppel die de emmer deed overlopen. Ze heeft een paar maanden als financieel medewerkster gewerkt, maar is teruggeplaatst naar haar oude functie van afdelingssecretaresse.

“U bent niet depressief, u bent gewoon boos”, is de conclusie van Van Griensven. “Ik wil met u meedenken over een oplossing, maar laten we eerst vaststellen dat u geen medisch probleem heeft.” Ze sputtert even tegen, maar laat zich toch overhalen tot een verhelderend gesprek met haar leidinggevende. Van Griensven pakt direct de telefoon. Het kost behoorlijk wat overredingskracht, maar hij krijgt voor elkaar dat ze nog diezelfde ochtend langs kan komen.

“Dit is gewoon onderhandelen: hoe verkoop ik een auto”, zucht hij als ze vertrokken is. “Voorheen was ze onder de klamme deken van de ziektewet verdwenen. De eenvoudigste uitweg voor beide partijen. De werknemer vluchtte in ziekte en het afdelingshoofd had weer een probleemgeval minder. Nu heb ik haar weer in de armen van de organisatie gedreven. Het afdelingshoofd is er niet blij mee, maar hij zal het probleem samen met haar moeten oplossen.”

Hij pakt het dossier van de volgende patiënt. “Een kort-verzuim-klant. Deze mevrouw heeft zich het afgelopen halfjaar iedere maand een keer ziek gemeld. Ik wil weten wat er aan de hand is.” Mevrouw S. is verbaasd dat ze op het spreekuur moet verschijnen. Ze was een paar dagen ziek, maar ze is allang weer aan het werk. “Mevrouw, u bent wel erg vaak ziek. Hoe komt dat?” In de winter had ze regelmatig hooikoortsaanvallen. “Hooikoorts, in de winter?” haalt Van Griensven zijn wenkbrauwen op. Daarna kreeg ze last van een hardnekkige ontsteking en menstruatieklachten. Op de afdeling loopt het ook niet zo lekker. Van Griensven raadt haar aan om een afspraak met de bedrijfsmaatschappelijk werkster, één deur verder, te maken. “Ik zeg het maar even huiselijk. Andere mensen met soortgelijke klachten werken gewoon door. Als u niet lekker in uw vel zit, moet u actie ondernemen. Thuisblijven is geen oplossing.” Na afloop stuurt hij een e-mail aan haar leidinggevende. “Mevrouw weet nu dat we haar in de gaten houden. Het is ook een signaal aan de leidinggevende. Die moet extra aandacht aan haar besteden. Voor je het weet heb je een chronisch probleem.”

Ruim anderhalf jaar is Van Griensven (46) werkzaam als bedrijfsarts bij de Provincie Zuid-Holland. Daarvoor werkte hij voor een commerciële Arbo-dienst: “Daar liepen ze vooral achter hun portemonnee aan”. Zijn kantoor ligt tussen de bedrijfscrèche en het secretariaat van de ondernemingsraad. “Het zorghoekje”, zegt hij meesmuilend. “Dat stamt uit de tijd dat zieke werknemers nog zielig waren.”

Zijn spreekkamer,  riant en met uitzicht op de weelderige binnentuin, oogt als een directiekamer. Ook Van Griensven zelf heeft meer weg van een moderne manager dan van een arts. Als bedrijfsarts noemt hij zichzelf ook wel “personeelsadviseur met medische bagage”. Zijn uitgangspunt is dat werknemers altijd reden hebben om zich ziek te melden, maar dat die reden niet perse medisch is. “Ik rafel de problemen uit elkaar. Welk deel komt door ziekte en welk deel door het werk? Mijn aanpak is verre van revolutionair, maar voor de provincie betekende het een cultuurschok,” vertelt hij. “Alle narigheid werd medisch genoemd. Werknemers meldden zich gemakkelijk ziek. En managers waren enorm preuts om dingen bij de naam te noemen. Bij conflicten gleden werknemers geruisloos de WAO in. Het was easy going, ze vonden dat ze heel vriendelijk waren voor elkaar. Maar achter die vriendelijkheid school desinteresse en nonchalance.”

De cijfers spraken boekdelen. Het ziekteverzuim was met meer dan 10% exorbitant hoog. Ook de WAO instroom was drie keer zo hoog als gemiddeld.

Binnen een jaar bracht Van Griensven het ziekteverzuim terug tot minder dan 6 %. De  verzuimregels werden aangescherpt en het registratiesysteem op orde gebracht. Personeelsadviseurs en afdelingshoofden kregen training in het begeleiden van zieke werknemers.

Snel ingrijpen

Demedicaliseren en snel ingrijpen zijn de toverwoorden. Van Griensven: “Wie griep heeft laten we met rust, maar de rest zit binnen een week na de eerste ziekmelding op het spreekuur. Wacht je langer dan is de kans groot dat iemand zijn klachten volledig gemedicaliseerd heeft.”

Het ziekteverzuim bij de provincie is gedaald, maar Van Griensven vermoedt dat het aantal slechte beoordelingen van medewerkers is toegenomen. “Een goede bedrijfsarts moet impopulaire maatregelen durven nemen. De eerste keer dat ik een werknemer die al lange tijd thuis zat, weer arbeidsgeschikt verklaarde, had ik direct een bezwaarprocedure aan mijn broek. Dat hadden ze hier in jaren niet meegemaakt. Maar ik pas ervoor om medewerkers ziek te verklaren omdat ze niet goed zouden functioneren. Dat wordt me niet altijd in dank afgenomen. Er wordt hier sterk in rechten gedacht. Sommige werknemers beschouwen ziekengeld als een soort arbeidsvoorwaarde. Ze zeggen: ik werk hier al tien jaar, ik heb recht op dat geld. En managers vinden het vaak niet leuk als ze mensen terugkrijgen.”

Jarenlang werden bedrijfsartsen met argusogen bekeken door het reguliere medische circuit. 9 tot 5 artsen en betaald door de baas: dat kon geen zuivere koffie zijn. Maar de bedrijfsarts krijgt een steeds grotere rol toebedeeld bij het terugdringen van arbeidsongeschiktheid. Hij  zit tussen twee vuren: werknemers willen erkenning van hun klachten en de werkgever wil het ziekteverzuim laag houden. Voor Van Griensven is die spanning juist het aantrekkelijke van het vak. “De kunst is ervoor te zorgen dat mijn adviezen vrijwillig worden opgevolgd. Dat kan alleen als werkgever én werknemers me vertrouwen.” Onafhankelijk wil hij zijn, maar Van Griensven beseft heel goed hoe afhankelijk hij is van de werkgever. Die bepaalt hoeveel geld hij in het ziekteverzuim wil steken. Wat dat betreft heeft hij bij de Provincie geen klagen. “Geld speelt hier nauwelijks een rol. Ik kan mensen zelfstandig doorverwijzen: naar een psycholoog, maatschappelijk werker of rugcentrum. Dat helpt enorm om het vertrouwen van werknemers te winnen. Toen ik nog bij een commerciële Arbo-dienst werkte zag ik de meeste mensen één keer. Voor iedere handeling of doorverwijzing moest ik een nieuwe offerte uitschrijven. Er gingen weken overheen voor er iets gebeurde. Dan komt de WAO snel dichterbij. Bij bedrijven die een tientjescontract hadden afgesloten kon je helemaal niets beginnen. ”

Het stoort Van Griensven dat het reguliere medische circuit nog steeds anders aankijkt tegen de relatie tussen gezondheid en werk dan bedrijfsartsen. Bedrijfsartsen kijken vooral wat werknemers die uitgevallen zijn, nog wèl kunnen. Huisartsen en medisch specialisten richten zich teveel op volledige genezing, meent hij. “Terwijl snelle werkhervatting meestal in het belang is van de werknemer. Je hoeft lang niet altijd te wachten tot iemand helemaal beter is. Hoe langer hij uit de roulatie is, hoe moeilijker het wordt om het werk weer op te pakken.” Voor zieke werknemers betekent dat verschil van inzicht dat ze nogal eens tegenstrijdige adviezen krijgen. “Neem eerst eens een paar weken rust, is vaak het devies van de huisarts. Diezelfde zieke werknemer bij mij te horen dat hij best weer aan het werk kan, al is het maar voor een paar uur. Dat is soms moeilijk uit te leggen.”

Van de twaalf werknemers die deze maandagochtend op het spreekuur verschijnen, hebben er slechts drie puur medische kwalen. “Een welkome afleiding, even echt doktertje spelen”, vindt Van Griensven. De anderen hebben naast medische klachten ook werkgerelateerde problemen: RSI, rugpijn en psychische klachten, vaak in combinatie met een arbeidsconflict.

Een onderhoudsmedewerker met rugklachten wil een verwijzing naar het rugadviescentrum. Dat kan, maar pas nadat hij de ruzie met zijn chef heeft uitgepraat. Van Griensven: “Zolang die zweer er zit, helpen tien rugcursussen je niet van die pijn  af.”

Ieder half uur verdiept hij zich in een nieuw verhaal. Een documentatiemedewerkster met RSI is na een RSI cursus en aanpassing van haar werkplek weer voor zes uur per dag aan het werk. Het gaat prima en ze kan het zo jaren volhouden, vertelt ze opgetogen. Maar  Van Griensven is niet tevreden. “Ik zie geen enkele reden waarom u niet volledig kunt werken. Alleen zal dat in uw huidige functie niet lukken. We hebben het een half jaar geprobeerd, we zullen ander werk voor u moeten zoeken.” De vrouw, van middelbare leeftijd,  werkt al sinds mensenheugenis op documentatie. Ze is duidelijk aangeslagen door de mededeling, maar Van Griensven is onverbiddelijk. Iedereen die langer dan een half jaar ziek is, stuurt hij door naar de reintegratiedeskundige. “Natuurlijk is het streven om iemand te reïntegreren op de eigen werkplek. Maar als dat niet of onvoldoende lukt, moet je dat tijdig onderkennen.”

Goed gesprek

Voor een sluiswachter, die ruim drie maanden ziek is, moet Van Griensven een reintegratiedossier aanleggen. De Wet Poortwachter, die sinds 1 april van kracht is, vereist officieel dat hij daarmee al na zes weken begint. “Te snel”, vindt Van Griensven. “Na zes weken is het vaak a onmogelijk om vast te stellen of je met dreigend langdurig verzuim te maken hebt. Drie maanden is realistischer.” Hij kan zich voorstellen dat Poortwachter lakse werkgevers stimuleert om ziekteverzuim sneller aan te pakken. “Hier doen we dat al. Voor mij betekent die wet alleen een hoop extra papieren rompslomp.”

Volgende patiënt: een opzichter met maagklachten. Woedend spuit hij zijn gal over het management.  “Ze laten ons maar aanmodderen. Nog één reorganisatie en ik race naar Den Haag om zo’n gast over zijn bureau te sleuren.” Van Griensven laat hem uitrazen en komt daarna ter zake: “Hoe zorgen we ervoor dat u weer prettig aan het werk kunt?” Eerst maar een bezoek aan de bedrijfsmaatschappelijk werkster om de zaken op een rijtje te zetten, besluiten ze samen.

“Ik zie hier de laatste tijd teveel mensen van die afdeling”, zegt hij na afloop. “De hoogste tijd om het afdelingshoofd uit te nodigen voor een goed gesprek.” Omdat Van Griensven vijf dagen per week bij de provincie werkt, kan hij ‘doordringen tot de spelonken van de organisatie’. “Dat is een luxe die de meeste bedrijfsartsen niet kennen.  Ik weet waar de zwakke plekken in de organisatie zitten. Dat wil niet zeggen dat ik alles kan oplossen, maar het helpt wel om goede diagnoses te stellen.”

Tijdens het spreekuur wordt er heel wat afgescholden: op autoritaire bazen die hun medewerkers niet zien staan. En op de hoge heren en dames in Den Haag die steeds nieuwe reorganisaties afkondigen. Ook het grootscheepse onderzoek naar frauderende provincieambtenaren roept agressie op. Maar geen enkele keer richt de woede zich tegen Van Griensven. Terwijl zijn aanpak toch niet bepaald zachtzinnig is. “Ach”, haalt hij zijn schouders op, “zolang je mensen waardig behandelt, en je zorgvuldig verdiept in wat er aan de hand is, kom je een heel eind. Werknemers die met vage klachten thuisblijven, kampen vooral met machteloosheid. Ze willen die rugpijn niet voelen. Ze willen veel liever normaal functioneren.”

Toch is Van Griensven er niet gerust op dat zijn patiënten  zich ook in de toekomst zonder al te veel morren weer naar het werk laten sturen. “Als de kabinetsplannen om de WAO alleen nog toegankelijk te maken voor volledig arbeidsongeschikten doorgaan, zal de druk op verzekerings- én bedrijfsartsen toenemen. Werknemers zullen zich nog meer fixeren op hun klachten om hun recht op WAO veilig te stellen. Ik ben bang dat de tijd van vroeger weer terugkeert. Als jong broekie werkte ik een tijdje als keuringsarts. Toen kon ik die druk niet weerstaan. Ik heb er heel wat miljonair gemaakt. Levenslang veroordeeld tot thuiszitten. Dat hoop ik nooit meer mee te maken.”

Voelt hij zich ook wel eens opgejaagd door de werkgever, die zieke werknemers te snel weer naar het werk wil sturen? Van Griensven barst in lachen uit. “Was het maar waar, zou ik bijna zeggen. Mijn grootste probleem, is dat niemand meer wakker ligt van het ziekteverzuim. Toen we boven de tien procent zaten, was het een interessant onderwerp. Nu is het bijna gehalveerd en is er geen haan meer die er naar kraait, lijkt het soms wel. Bijna niemand realiseert zich dat ik voor de organisatie het afgelopen jaar 4 miljoen euro heb bespaard. Er wordt hier te weinig in financiële termen gedacht als het om ziekteverzuim gaat.”

Het verzuim kan verder omlaag, daar is hij van overtuigd. Er kan nog veel meer gebeuren aan preventie en vroegtijdige signalering van problemen. “Dan kom je bij de managers. Op papier zijn ze al verantwoordelijk gemaakt voor het verzuim op hun afdeling, maar ze doen nog steeds een sterk beroep op mij. Terwijl zij zelf een cruciale rol kunnen spelen. In hoeverre slagen ze er in voeling te houden met het personeel? Hoe is hun stijl van leidinggeven? Pikken ze signalen op dat er iets aan de hand is? Hoe zit het met de werkdruk? Er is hier nog een wereld te winnen, maar helaas kan je als bedrijfsarts niet hoger springen dan de organisatie.”