Selecteer een pagina
Kindermishandeling nauwelijks structureel ingebed

Proef op de som bij zes beroepsopleidingen
Kindermishandeling nauwelijks structureel ingebed

De politieagent, de leerkracht in het basisonderwijs, de kinderopvangleidster, de huisarts, de maatschappelijk werkster en de verpleegkundige op de Eerste Hulp: allemaal worden ze geconfronteerd met kindermishandeling. Hoe bereiden beroepsopleidingen hen daar op voor?

Tijdschrift Kindermishandeling legde zes opleidingen in Utrecht onder de loep. ‘Een belangrijk onderwerp, maar we moeten al zoveel.’ ‘Natuurlijk besteden wij aandacht aan kindermishandeling’, zegt onderwijsontwikkelaar Willy van Dijk van de pedagogische opleidingen van ROC Midden Nederland. Daar worden onder andere studenten opgeleid om in kinderdagverblijven te gaan werken. ‘Het is een onderwerp dat studenten enorm raakt. Sinds de Hofnarretjeaffaire nog meer.’

Toch wordt kindermishandeling nergens in het lesprogramma expliciet vermeld, blijkt uit de steekproef van Tijdschrift Kindermishandeling. Volgens van Dijk komt het ter sprake bij cursussen over ‘omgaan met levensgebeurtenissen’ en ‘omgaan met seksualiteit, vriendschap en intimiteit’. Van Dijk: ‘Studenten komen er ook zelf mee, als ze het tegenkomen tijdens hun stage.’ Maar daar blijft het dan ook bij.

De Marnixacademie, een Utrechtse pabo, heeft wèl een vaste plaats voor kindermishandeling ingeruimd in het lesprogramma: tijdens hun vierjarige opleiding krijgen de studenten er welgeteld 4,5 uur les over. ‘Bovendien staat op intranet uitgebreide achtergrondinformatie’, zegt docente gezondheidskunde Daphne Drost van diezelfde pabo. Ze krijgt regelmatig vragen per e-mail en tijdens de studiecoaching is kindermishandeling een terugkerend onderwerp. Drost: ‘Soms worden studenten door een kind in vertrouwen genomen. Of ze merken zelf dat er iets ernstigs aan de hand is. Dat roept veel vragen op: wat kan ik doen als stagiaire? Hoe moet ik omgaan met heftige beschuldigingen? Wat vertel ik collega’s of ouders?’

Krijgen pabo-studenten voldoende bagage mee om straks goed om te gaan met dat jongetje dat zich in de klas steeds aan hen vastklampt? Durven ze hun vermoeden uit te spreken bij dat keurig opgevoede meisje met vreemde blauwe plekken op haar rug? ‘Sommige studenten vinden dat heel ingewikkeld’, zegt opleidingsmanager Suzanne Niemeijer van de Marnixacademie. ‘Maar ik denk dat 80 procent voldoende alert is op signalen en weet welke stappen ze vervolgens moeten zetten.’ Een ferme uitspraak als daar de 4,5 uur les van de studenten tegenover wordt gezet.

Onderzoek NJI

‘Met signaleren ben je er nog niet’, meent zegt Peter van der Linden. Hij is landelijk programmamanager Aanpak Kindermishandeling van het Nederlands Jeugd Instituut (NJI). ‘Weten wat je zou moeten doen is iets anders dan er in de weerbarstige praktijk naar handelen. Dat vraagt meer inspanning dan een paar lessen over kindermishandeling.’

Vijf jaar geleden inventariseerden het NJI (toen nog NIZW) en TNO in opdracht van het ministerie van Sociale Zaken de aandacht voor huiselijk geweld en kindermishandeling in beroepsopleidingen voor professionals in de jeugd(gezondheids)zorg. Die was onvoldoende, luidde de conclusie. Het onderwijs over kindermishandeling lag zelden vast in kant en klare lesprogramma’s. Er was geen samenhangend aanbod door de opleidingsjaren heen.

En het aanbod hing vooral af van de affiniteit van individuele docenten en van vragen en praktijkervaringen van studenten. De tijdsinvestering was minimaal: hooguit een paar uurtjes in de hele opleiding.

Hoe staat het er vijf jaar later mee? Afgaande op onze eigen steekproef onder de zes Utrechtse beroepsopleidingen, lijkt bij drie van de zes opleidingen nog steeds geen sprake van een samenhangend onderwijsaanbod.  Vreemd. Zeker als je bedenkt dat alle professionals die met kinderen werken, vanaf dit jaar naar alle waarschijnlijkheid met de verplichte meldcode kindermishandeling moeten werken. ‘Deze steekproef heeft ons aan het denken gezet’, zegt Van Dijk van de pedagogische opleidingen, waar ook de pedagogisch medewerker kinderopvang wordt geschoold.

Ze vertelt over een studente, die ze op haar stageadres bezocht. ‘Ze had een jongetje op de arm met een nare plek op zijn hoofd. Ze begon meteen de ouders te verdedigen. Dat waren zulke aardige mensen: het moest een ongelukje zijn geweest.’ Ze is even stil. ‘Ik ga me hard maken voor een workshop kindermishandeling van minimaal één dagdeel’, zegt ze dan. Waarmee ze direct nog eens een andere conclusie van vijf jaar terug bevestigt: aandacht voor kindermishandeling hangt af van de affiniteit die docenten er mee hebben.

Hoe zit het met de tijdsinvestering? Vier en half uur op de pabo en een verplicht vast blok van vier uur over kindermishandeling in de opleiding voor Spoedeisende Hulp van de St. Antoniusacademie: het houdt niet over. ‘Herkennen en signaleren leren studenten wel’, zegt opleider Marieke Kaanders van de St. Antoniusacademie.

‘De communicatie komt te weinig aan bod. Hoe voer je een goed gesprek zonder direct te oordelen? Hoe krijg je de juiste informatie los? Wat doe je met een “niet pluis gevoel” als je geen duidelijke aanwijzingen hebt dat er iets mis is?’ Door vanaf volgend jaar meer lesstof via e-learning aan te bieden, wil de academie tijd vrijmaken om gesprekken met ouders en kinderen te oefenen. Kaanders: ‘De insteek is dat we één dag aan kindermishandeling gaan besteden, naast een e-learning programma.’

‘Eén dag is volstrekt onvoldoende’, zegt spoedeisende hulp verpleegkundige Hester Diderich. Ze is aandachtsfunctionaris kindermishandeling in Medisch Centrum Haaglanden in Den Haag. Diderich: ‘Na een les over kindermishandeling zijn verpleegkundigen een tijdje extra alert. Daarna zakt het in. Om de kennis er goed in te stampen heb je minstens twee dagen nodig, en je moet het onderwerp verschillende keren laten terugkomen.’ In de nieuwe meldcode kindermishandeling van de beroepsvereniging van verpleegkundigen staat dat ook verpleegkundigen die alleen de ouders zien, een vermoeden van kindermishandeling bij het Advies- en Meldpunt Kindermishandeling kunnen melden.

Diderich: ‘Op die manier kan kindermishandeling in een veel vroeger stadium worden opgespoord. Veel verpleegkundigen weten dat niet.’ Ze vindt dat juist de beroepsopleiding een belangrijke taak heeft om dat bij te brengen. ‘Iedereen heeft het over bijscholing, maar dat vinden de meeste ziekenhuizen te duur. Het zou zoveel schelen als de basiskennis al tijdens de opleiding werd bijgebracht.’

Opleidingen in spagaat

De overheid moet basisopleidingen voor jeugdzorg verplichten om kindermishandeling in het curriculum op te nemen, adviseerde het NJI vijf jaar geleden al. ‘Helaas wordt het nog steeds aan de opleidingen zelf overgelaten welke basale vaardigheden ze wel of niet overdragen’, zegt Van der Linden. ‘Het ministerie legt de verantwoordelijkheid bij de koepels, de koepels bij de instellingen en de onderwijsmanagers leggen het op het bordje van docenten. Die zeggen weer dat studenten ermee moeten komen. Zo blijft iedereen naar elkaar wijzen.’ Begin dit jaar gaf het ministerie van VWS het NJI opdracht de inventarisatie van vijf jaar geleden nog eens over te doen, te beginnen bij medische opleidingen.

‘Ons doel is structurele inbedding in de basisopleiding’, zegt de woordvoerder van staatssecretaris Veldhuijzen van Zanten. ‘Dat gaat niet zomaar: VWS gaat niet over de opleidingen. Bovendien willen we eerst precies weten waar de hiaten zitten.’ De opleidingen vallen onder het ministerie van Onderwijs, die tot op heden geen enkele actie onderneemt om het onderwerp kindermishandeling in te bedden in de curricula van de beroepsopleidingen.

Ondertussen bevinden de opleidingen zich in een spagaat. ‘We moeten al zoveel’, zegt Niemeijer. ‘Vanaf volgend jaar worden we verplicht om meer uren aan taal en rekenen te besteden. Je kunt niet alles tegelijk. Bovendien leiden we pabo-studenten op tot leerkrachten, niet tot hulpverleners.’

‘Hulpverlener of niet, professionals moeten wel actie kunnen en durven ondernemen als ze met kindermishandeling worden geconfronteerd’, vindt Van der Linden van het NJI. ‘Het helpt als ze tijdens hun opleiding kunnen oefenen. Dat maakt het onderwerp ook minder zwaar. Het gaat niet alleen over stappenplannen en procedures.

Ervaren wat de dilemma’s zijn en hoe je daarmee om kan gaan, is minstens zo belangrijk.’ Hij wijst op lespakketten en e-learningmodules die zijn ontwikkeld. ‘Er is veel know how, maar het lijkt alsof iedere opleiding zelf het wiel uit wil vinden.’

Niets veranderd?

Is er dan helemaal niets veranderd? Toch wel. Op de huisartsenopleiding van het Universitair Medisch Centrum Utrecht krijgt kindermishandeling meer aandacht dan voorheen. Er zijn drie verplichte dagdelen voor ingeruimd, verspreid over de opleiding en aangevuld met praktijk- en huiswerkopdrachten. Het signaleren en bespreekbaar maken van kindermishandeling is opgenomen in de eindtermen van het examen.

Kindermishandeling is ook vast onderdeel van de MBO 4 opleiding van de politieacademie. ‘Signaleren, bespreekbaar maken, doorverwijzen en juridische aspecten: het wordt allemaal uitgebreid behandeld en geoefend’, zegt opleider Carl Maarse. ‘Het onderwerp komt ieder half jaar terug. Zo gaat het echt tussen de oren zitten.

’ Over de MBO opleiding niveau 3 heeft hij zijn twijfels. ‘Daar krijgt kindermishandeling veel minder aandacht, terwijl afgestudeerden van niveau 3 wel regelmatig als jeugdprofessional in het korps werkzaam zijn. Als ze hier komen voor bijscholing, hoor ik ze soms verzuchten: “Hoe heb ik ooit mijn werk kunnen doen, zonder deze kennis?”’

‘We hebben behoorlijk aan de weg getimmerd, maar het is nog niet voldoende’, vindt Mariëtte Christophe, landelijk programmaleider Huiselijk Geweld van de politie. Ze zou graag zien dat de politieacademie een lector Huiselijk Geweld aanstelt. ‘Die kan zorgen dat huiselijk geweld en kindermishandeling een prominentere plek krijgen.’

Ze hoort soms van studenten dat het afhankelijk is van de docent, hoeveel tijd aan kindermishandeling wordt besteed. Ook wordt steeds meer informatie digitaal aangeboden. Christophe: ‘Je weet niet of alle studenten dat voldoende tot zich nemen.’ Vanaf volgend jaar wordt de MBO 4 opleiding verkort tot drie jaar. Het vak Jeugdzorg, waaronder het leeuwendeel van de lessen over

kindermishandeling valt, verdwijnt. In plaats daarvan komen ‘beroepsauthentieke opdrachten’, die aan de praktijk zijn ontleend. Volgens onderwijsmanager Walther Westerman blijft kindermishandeling echter hoge prioriteit houden in de opleiding van politieagenten. ‘We hebben er in het dagelijks werk zoveel mee te maken, dat we daar niet onderuit komen.’

Ver-van-mijn-bedshow

Afgaande op het aantal uren dat de onderzochte opleidingen besteden aan kindermishandeling, steekt de Hogeschool Utrecht (Maatschappelijk werk en Dienstverlening) met kop en schouders boven de rest uit. Naast een verplicht blok van 140 uur over hulpverlening bij huiselijk geweld, waarin kindermishandeling uitgebreid aan bod komt, volgen maatschappelijk werkers in spe ook 140 uur ‘ hulpverlening in gedwongen kader’. Dat lesblok, waarin dilemma’s en beroepsethiek van gezinsvoogden en verwante beroepen centraal staan, werd na de falende hulpverlening aan Savanna ingevoerd.

‘Met het lesprogramma is niet veel mis en de docenten zijn erg betrokken’, zegt Charlotte van Besouw van de Hogeschool Utrecht. Ze is coördinator van de minor ‘Agressie en huiselijk geweld’, die studenten als extra verdieping kunnen kiezen. Deze minor is een niet verplicht keuzevak en valt buiten de verplichte 280 uur.

Van Besouw plaatst kanttekeningen bij de manier waarop studenten worden voorbereid op de praktijk. ‘We doen nog steeds alsof huiselijk geweld en kindermishandeling een ver-van-mijn-bedshow is. Het is altijd iets van anderen; studenten vinden het heel lastig om erover te praten. Hoe kun je dan verwachten dat ze straks hun verantwoordelijkheid nemen?

De meeste instellingen zitten er niet op te wachten dat je met kindermishandeling aan de slag gaat. Je stuit op weerstand en moet in staat zijn om steun te mobiliseren. Ik vind dat daar veel meer aandacht voor moet zijn.’

Wat te doen?

Is er de afgelopen 5 jaar nu iets veranderd in de aandacht die beroepsopleidingen geven aan het thema kindermishandeling? Uit deze steekproef komt hetzelfde beeld naar voren als 5 jaar geleden bij het TNO/NJI onderzoek: wisselend dus. Wat zorgen baart is dat juist die beroepsgroepen die de meeste kinderen van dichtbij zien – onderwijzers en kinderopvangwerkers – er zo bekaaid vanaf lijken te komen. Zij hebben een cruciale rol in het signaleren van kindermishandeling.

Ook de eisen die de nieuw Wet Meldcode aan deze professionals gaat stellen, hebben de opleidingen nog niet te bereikt. Veel werk aan de winkel voor beleidsmakers, politici en onderwijsbestuurders dus. In plaats van naar elkaar te blijven wijzen en onderzoeken te herhalen, lijkt het raadzamer om de focus te richten op wat opleidingen en docenten werkelijk nodig hebben om kinder pleidingen en docenten werkelijk nodig hebben om kindermishandeling de aandacht te geven die het verdient.