'Kinderen hebben meer aan hun netwerk dan aan een therapeut'

Kinderpsychiater Bruce Perry
‘Kinderen hebben meer aan hun netwerk dan aan een therapeut’

Wie getraumatiseerde kinderen écht wil helpen, moet investeren in hun naaste omgeving, zegt de internationaal vermaarde Amerikaanse kinderpsychiater en hersenspecialist Bruce Perry. Ditty Eimers beeld-interviewde hem in zijn kantoor in Houston.

De gedachte dat kinderen van zichzelf veerkrachtig genoeg zijn om akelige gebeurtenissen te boven te komen, is hardnekkig. ‘Maar het is volslagen nonsens,’ zegt Bruce Perry, grondlegger van de ChildTrauma Academy in Houston, Texas. De afgelopen dertig jaar heeft de toonaangevende kinderpsychiater duizenden getraumatiseerde kinderen gezien. Over de meest gangbare therapieën is hij somber. ‘Daar knappen kinderen meestal niet van op.’ Maar er is volgens hem altijd hoop voor kinderen bij wie het stresssysteem chronisch overgevoelig is door verwaarlozing of mishandeling. Als een paar betrokken volwassenen om hen heen maar de goede dingen doen. Geduld, voorspelbaarheid, liefdevolle zorg en een kind echt zien en aanmoedigen, dáár draait het om, zegt hij. ‘Zo kun je ervoor zorgen dat hun hersenen weer een beetje anders geprogrammeerd worden.’

Waarom richt u zich steeds meer op het sociale netwerk van getraumatiseerde kinderen?
‘Omdat steeds weer blijkt dat steun van de naaste omgeving een buffer kan zijn tegen de gevolgen van kindermishandeling. Dat heeft alles te maken met veerkracht, dus het vermogen om met tegenslag om te gaan. Een kind bouwt veerkracht op door kleine, overzichtelijke uitdagingen aan te gaan: nieuwe woordjes leren op school, voor het eerst een koprol oefenen. Een andere belangrijke voorwaarde voor veerkracht ontwikkelen is dat je je verbonden en gesteund voelt door mensen in je omgeving. En veerkracht is een fantastisch reddingsvest waarmee je traumatische ervaringen goed kunt overleven.’

Kunnen kinderen die langdurig mishandeld zijn ook veerkracht ontwikkelen?
‘Doordat zij te veel nare ervaringen hebben gehad, is hun stresssysteem vaak overactief geworden. Dan kunnen kleine, spannende dingen al leiden tot extreme reacties. Een kind met een overactief stresssysteem kan bijvoorbeeld al op tilt slaan als het een voorleesbeurt krijgt. Maar het mooie is dat mensen in de omgeving dat kind kunnen helpen om te kalmeren en weer vertrouwen te krijgen in zichzelf. Ook als de eigen ouders daar niet toe in staat zijn. Zo kan een getraumatiseerd kind toch veerkracht ontwikkelen.’

Hoe stimuleer je veerkracht bij een getraumatiseerd kind?
‘Bij deze kinderen voeren de onderste delen van het brein, waar de primitieve overlevingsfuncties zich bevinden, steeds de boventoon. Omdat hun hersenen in de overlevingsstand staan, hebben ze nauwelijks grip op hun emoties, gedrag en gedachten. Als je hun veerkracht wilt stimuleren door ze iets te laten doen wat ze spannend vinden, heeft het weinig zin om op ze in te praten. Je moet er eerst voor zorgen dat ze zich kalm en veilig voelen en uit de overlevingsstand komen.

Pas als een kind vertrouwen in je krijgt, is het in staat om een redelijk gesprek te voeren


Dat kun je bijvoorbeeld doen door samen te wandelen of te rennen, te zwemmen, muziek te beluisteren, een massage te geven. Als ze rustiger worden, staan deze kinderen meer open om contact met je te maken. Dat kan door ze met veel geduld en empathie uit te nodigen om hun gevoelens te tonen. Pas als dat contact er is en ze vertrouwen in je krijgen, zijn ze in staat om een redelijk gesprek te voeren en na te denken over hun eigen gedrag. En uiteindelijk toch iets te doen wat ze voorheen niet durfden.’

Een kind van 10 heeft vast een andere benadering nodig dan een 3-jarige?
‘Zeker, en bij deze kinderen is het ingewikkelder inschatten wat de beste benadering is doordat traumatische ervaringen de normale ontwikkeling verstoren. Een kind van 10 kan sociale vaardigheden hebben op het niveau van een 2-jarige, en een cognitief niveau van een kind van 8. Als leerkracht, oma of sportcoach moet je oog hebben voor hoe een kind op verschillende terreinen functioneert en je gedrag en verwachtingen daarop afstemmen.’

Kunnen niet-professionals die ontwikkelingsniveaus wel inschatten?
‘Als je een kind goed kent, kom je een eind door goed te kijken. Verder onderzoek kan natuurlijk ook helpen. Als een kind bij ons traumacentrum in behandeling komt, maken we een profiel van zijn hersenontwikkeling en andere aspecten van zijn ontwikkeling. Voor mensen in het sociale netwerk maken we een eenvoudiger versie, zodat zij weten: dit kan het kind aan, en dit heeft het nodig. We geven ook voorlichting over trauma’s. Ik hoor vaak dat die informatie het contact makkelijker maakt doordat het de omgeving helpt om niet te veel van een kind te verwachten.’

Kan therapie een getraumatiseerd kind niet helpen?
‘In de Verenigde Staten wordt bij deze kinderen vooral cognitieve gedragstherapie toegepast. Die is gericht op het bovenste deel van het brein, terwijl bij kinderen met trauma’s de lagere delen van het brein het meest zijn aangetast. Zoals gezegd zijn de hogere hersendelen vaak minder actief. Via cognitieve therapie kun je die lagere hersendelen uiteindelijk wel bereiken, maar dat duurt lang. Vaak veel langer dan het aantal therapiesessies dat wordt vergoed. Dus die behandelingen zijn inefficiënt. Het effect van wat ik als therapeut in een uur per week met een kind doe, haalt het niet bij wat volwassenen in de directe omgeving teweeg kunnen brengen. Zij hebben veel vaker contact met een kind. In plaats van kinderen therapie te geven, kun je beter investeren in de volwassenen om hen heen.’

Hoe investeert uw traumacentrum in het sociale netwerk rondom kinderen?
‘We richten ons vooral op het trainen van dat netwerk door kennis te verstrekken over de ontwikkelingsfase en het gedrag van het kind, zodat de omgeving het kan begrijpen. En we laten zien hoe het netwerk onderling contact kan houden. Als iedereen weet wat een kind nodig heeft en met elkaar communiceert over hoe het kind zich ontwikkelt, kun je veel bereiken. We hoeven geen nieuwe netwerken rond getraumatiseerde kinderen te bouwen. Op een school waar we werkten waren zo’n zestig geweldsincidenten per jaar. Een jaar na de introductie van onze methode Neurosequential Model of Therapeutics was dat aantal gedaald tot vierentwintig en de schoolprestaties waren aanzienlijk verbeterd. Die trend zien we op alle scholen waar we actief zijn. Dat sterkt mij in de gedachte dat we ons voordeel kunnen doen met de systemen die er al zijn.’

Horen sport- en andere vrijetijdsclubs ook bij het sociale netwerk?
‘Ja, die zijn enorm belangrijk. Het is hoog tijd dat sportclubs, scouting en andere clubs getraumatiseerde kinderen beter gaan begrijpen. Nu worden ze er vaak uitgegooid omdat ze het niet goed doen, zich “misdragen”. Net als op school. We trainen sportcoaches, zodat ze zich realiseren dat deze kids worstelen met aan trauma gerelateerde problemen. In plaats van ze te straffen en te shamen, gaan de coaches door de training meer begripvol reageren.

Ergens bijhoren telt misschien wel het meest voor een kind

Ik herinner me een meisje dat meer dan vijf pleeggezinnen en acht scholen had gehad. Ze wist niet hoe ze contact moest maken en had geen vriendinnen. Uiteindelijk kwam ze in een pleeggezin dat haar begreep. Ze was goed in voetbal en haar coach wist hoe hij met haar moest omgaan. Na een jaar hoorde ze erbij in haar team. Ze bloeide helemaal op. Ergens bij horen, telt misschien wel het meest voor een kind.’

Waarom worden leeftijdgenoten dan niet vaker ingezet?
‘De omgeving is vaak bang om klasgenoten en vrienden te vragen om een kind te helpen. Begrijpelijk: hun invloed op beschadigde kinderen kan ook negatief zijn, bijvoorbeeld als ze het kind gaan pesten of uitsluiten. Maar als een getraumatiseerd kind omarmd wordt door leeftijdgenoten en onderdeel wordt van een groep, zou dat weleens een van de krachtigste mechanismen voor herstel kunnen zijn.’

Voor kinderen is hun school heel belangrijk. Hoe betrekt u die erbij?
‘Met ons team geven we regelmatig voorlichting aan schoolklassen. “Dit meisje had waarschijnlijk geen lieve mama en papa, waardoor ze niet weet hoe ze vrienden moet maken,” vertellen we bijvoorbeeld. Wat dan gebeurt is wonderbaarlijk: klasgenoten behandelen zo’n meisje niet langer als paria, maar werpen zich op als haar beschermers. Ik weet niet of dat goed is. Ik weet wel dat we meer onderzoek moeten doen naar de rol van leeftijdgenoten. Daar zit waarschijnlijk een enorm potentieel.’

U bent ook voor hulp aan de ouders van getraumatiseerde kinderen.
‘In de VS is een beweging die ervoor pleit om ouders, ook als zij hun kind mishandelen, bij de behandeling van het kind te betrekken. Want zij hebben vaak zelf ook een geschiedenis van akelige jeugdervaringen. Ik vind dat we meer tegemoet moeten komen aan hun behoeften aan hulp bij het verwerken van hun trauma’s, maar ook bij verslavingen en dergelijke. Dus ouders helpen zodat zij hun kinderen kunnen helpen. Een van de problemen is dat de hulpverlening aan ouders en kinderen gescheiden georganiseerd is. Wat mij betreft zouden we kinderen en ouders in dezelfde instelling moeten behandelen.’


Dr. Bruce D. Perry is kinder- en jeugdpsychiater, Senior Fellow bij de ChildTrauma Academy en universitair hoofddocent bij het Baylor College of Medicine. Hij is auteur van ‘De jongen die opgroeide als een hond ‘en ‘Het liefdevolle brein’, naast meer dan honderd wetenschappelijke publicaties. Ook is hij internationaal bekend als expert op het gebied van trauma en verwaarlozing bij kinderen en jeugdigen. Op basis van neurobiologische inzichten ontwikkelde hij het Neurosequential Model of Therapeutics (NMT). Op de website van Neurosequential Network is een serie webinars te zien waarin Perry vertelt over COVID-19 en de relatie met stress en trauma.

Gepubliceerd in Augeo Magazine, oktober 2020