Selecteer een pagina
James Kennedy: ‘Aan jullie hufterigheid zal ik nooit wennen’

James Kennedy: ‘Aan jullie hufterigheid zal ik nooit wennen’

Als tiener droeg hij Spakenburger klederdracht. Al jaren bestudeert hij onze politieke cultuur en geschiedenis. Maar Nederland blijft hem een raadsel. Hoogleraar James Kennedy (40) over deugden en schaduwzijden van Nederland en Amerika.

“Aan jullie hufterigheid zal ik nooit wennen. Vanochtend nog: ik stap uit mijn voordeur en trap in een hondendrol. Dat iemand denkt dat hij dat kan maken! Laatst was mijn fiets bij het station uit het fietsenrek gehaald. Een ander dacht: dat plekje heb ik nodig, want de politie sleept alle fout geparkeerde fietsen weg. Ongelofelijk toch? Ik snap dat de verleiding hier groot is om je onbeschoft te gedragen. In Amerika maakt de ruimte ons beleefder. Maar goed, het irriteert me wel. Aan de ene kant voelen jullie je zeer verantwoordelijk voor de wereld om je heen. En aan de andere kant zijn jullie onverschillig en bot. Een vreemde mengelmoes, waar ik me nog steeds over kan verbazen.

Ik ben half Nederlands maar ik zeg meestal ‘jullie’ als ik het over Nederlanders heb. Ik ben nog geen ‘wij’, ik ben geen Nederlands staatsburger. En uiteindelijk bepalen anderen of je Nederlander bent. Ik hoorde via via dat er opmerkingen waren over mijn oratie. Dat het toch niet helemaal perfect Nederlands was. Kinderachtig. Het is een indicatie van: je hoort er niet helemaal bij. Wanneer hoor je er wel bij? Behalve met taalbeheersing heeft dat te maken met een bepaalde levenshouding die je uitstraalt, zodat Nederlanders zich bij je op hun gemak voelen. Het is iets vaags en gevoelsmatigs. In Amerika zijn de eisen hard maar duidelijk: de taal spreken, keihard werken en veel geld verdienen. Hier kan je altijd bezig blijven.

Ik heb een Amerikaanse opvoeding gehad. Met een paar Nederlandse rituelen, dat wel. We woonden in Orange City, een door Hollanders gesticht dorp in Iowa, tussen de maïs- en de sojavelden. De huizen hadden toen nog geen Disney Dutch nepgevels, maar het tulpenfeest was een jaarlijks terugkerend festijn. Het hele dorp liep dan op klompen. Ik ook, ja natuurlijk. Mijn moeder ging speciaal naar Spakenburg om authentieke klederdracht te kopen. Onze verjaardagen vierden we thuis ook veel uitbundiger dan in de VS gebruikelijk is. Voor mijn moeder waren dat soort rituelen heel belangrijk. Naarmate ze langer weg was uit Nederland, begon ze er steeds meer waarde aan te hechten. Ik weet nog dat ze huilde toen ik een keer vergat haar ’s ochtends te feliciteren. Sinterklaas vierden we eerst als enigen in het dorp. Tegenwoordig komt hij ieder jaar op zijn paard naar het gemeentehuis. Een uitgevonden traditie, zou je kunnen zeggen, ingevoerd door mijn ondernemende moeder. De Sinterklaas van Orange City heeft uiteraard witte knechten, een zwarte piet zou direct als racistisch bestempeld worden.
Thuis spraken we Engels, maar mijn ouders vonden wel dat ik een beetje Nederlands moest leren. Ik kreeg een abonnement op de Sjors, ik heb Nederlands geleerd uit stripverhalen.

Nederlanders lijken tegenwoordig bijna verliefd op Amerika. Ik heb ook het tegendeel meegemaakt, in de jaren zeventig en tachtig. Iedere zomervakantie gingen we naar Nederland. Ik herinner me een journaaluitzending over Nicaragua en de rol van de VS. Dat was niet eens een poging om evenwichtig te zijn. Ik sympathiseerde met de sandinisten, maar ik voelde ik me geroepen om Amerika verdedigen. Overal en altijd belandde je in felle discussies over het Amerikaanse buitenlandse beleid. Sommige mensen kwamen me op feestjes vertellen dat Amerika het laatste land was dat ze ooit zouden bezoeken. Alleen de communistische burgemeester van Beerta was vol lof over Amerika, toen ik haar interviewde voor een schoolpaper. Ze vertelde dat ze vaak in Oregon op vakantie ging. Amerika is gewoon een mooi land, zei ze. Ik was stomverbaasd, dat was zeer uitzonderlijk.

Eigenlijk was ik van plan om me te specialiseren in Duitsland. Mijn promotor vond dat ik me op Nederland moest storten: een onderbelicht land, en bovendien sprak ik de taal. Voor de Amerikaanse markt was het een slechte keus, geen hond is geïnteresseerd in Nederland. Hier is het andersom. Jullie vinden het prachtig dat een Amerikaan zich serieus
met dit kleine landje bezighoudt. Als ik Estlander was en hetzelfde beweerde zou ik nooit zoveel aandacht krijgen.
Sinds negen maanden woon ik in Nederland. Mijn vrouw is Nederlandse en ik kon hier een mooie baan krijgen. Ik wilde weg uit Amerika, vooral na de inval in Irak. Ik geneerde me voor de arrogantie van mijn land. Veel meer dan tijdens Reagan, toen ik actief was in de vredesbeweging. Misschien heeft die gêne wel te maken met een vorm van patriottisme: we hebben onze kans om een verantwoordelijke supermacht te zijn verspeeld. Er zijn meer dingen die me van Amerika vervreemden. De zorgeloosheid waarop we met de grond omgaan bijvoorbeeld en de verschrikkelijke lelijkheid van de bebouwing.

Toch blijf ik Amerikaan, dat blijft mijn voornaamste identiteit. Met mijn kinderen praat ik altijd Engels, ik maak me grote zorgen dat ze de taal verleren. Wat me bindt aan Amerika? Ik denk de waardering voor de publieke traditie van debat. Je kunt er altijd medestanders vinden voor een afwijkende mening. Je verliest misschien, maar je hoeft je principes niet op te geven. Nederlanders zijn conformistisch. Je mag je zegje doen, maar je moet niet te moeilijk doen. De druk is groot om met de heersende stroom mee te gaan. Daarom is het hier ook zo lastig oppositie voeren. Voor religie geldt hetzelfde. De heersende opvatting is: geloof is prima als we er maar niets van merken. Ik ben protestants, het is moeilijk om hier gelovig te zijn. Een actief kerkelijk leven is hier ver te zoeken. Vooral in het begin vond ik dat erg bedrukkend.

Jullie belangstelling voor wat elders in de wereld gebeurt, hoe men in andere landen denkt en doet, is gelukkig nog steeds behoorlijk groot. Dat typisch Nederlandse trekje biedt ruimte, een ontsnappingsmogelijkheid uit het conformisme. De internationale gerichtheid van Nederland is niet meer zo groot als 20, 25 jaar terug, dat klopt. Ik zie navelstaarderij, maar daar staat tegenover dat jullie minder dan toen geneigd zijn anderen de les te lezen. In zekere zin is er dus meer openheid.

Het boeiende aan Nederland én Amerika is, dat we ons graag op als gidslanden opwerpen. En nergens zijn meer vrijwilligers actief dan in Nederland en in Amerika. Engagement is belangrijk, maar Amerikanen hebben een veel sterker idee van wat een goede burger is. We hebben communityleaders die liefdadigheid organiseren en model staan voor de ideale burger. Een ander voorbeeld is corporate giving, de maatschappelijke plicht van Amerikaanse bedrijven om een deel van de winst aan goede doelen te schenken. Daar zitten hypocriete trekjes aan, maar hier wordt het te gemakkelijk afgedaan als uiterlijk vertoon. Voor een deel is het wel degelijk oprecht, net als de Amerikaanse vriendelijkheid. Je hóórt dit of dat te doen: Nederlanders hebben dat veel minder. Iedereen vult het zelf in. Ik vind dat Nederlanders explicieter moeten worden. Welk engagement verwacht je van elkaar, waar kun je elkaar op aanspreken? Dat ga ik de komende jaren in kaart brengen. Ik denk dat het helpt bij het vestigen van een politieke cultuur waarin de wezenlijke dingen écht besproken worden.”

Naam: James Kennedy
Geboren: Orange City (VS), 2 september 1963
Vader: Earl William Kennedy, Schots-Ierse Amerikaan, hoogleraar theologie
Moeder: Cornelia Breugem, Nederlandse, kunsthistorica
Achtergrond: historicus, promoveerde op de Nederlandse jaren zestig, publiceerde een boek over euthanasie in Nederland en was tot vorig jaar september docent Nederlandse comtemporaine geschiedenis aan het Hope College in Holland, Michigan. (VS). Sinds september 2003 hoogleraar nieuwste geschiedenis aan de VU.
Ambitie: Accentloos Nederlands spreken.