Selecteer een pagina
'Iedere tijd heeft zijn eigen profeten'

Schrijfster Lisa Appignanesi
‘Iedere tijd heeft zijn eigen profeten’

Aan de hand van de tragische levens van Virginia Woolf, Marilyn Monroe en andere vrouwen schreef de Britse schrijfster Lisa Appignanesi een meeslepende geschiedenis van tweehonderd jaar vrouwen en psychiatrie. ‘Wat meer bescheidenheid zou de moderne psychiatrie sieren.’

Zo lang ze zich kan heugen, is Lisa Appignanesi (63) gefascineerd door psychische stoornissen. In veel van haar romans speelt dat thema een rol. Ook schreef ze een studie over Freud en ze is voorzitter van het Freud Museum in Londen. ‘Freuds sofa, zijn bureau, alle meubels van de familie: we hebben het allemaal’, vertelt ze in haar zonnige souterrain in Londen. ‘En zijn prachtige collectie antiquarische boeken natuurlijk. Het voelt alsof je in Wenen bent, en dat in hartje Londen.’ Op de onvermijdelijke vraag of ze zelf ervaring heeft met gekte, lacht ze fijntjes. ‘Ach, de scheidslijn tussen gekte en geestelijke gezondheid is dun. Van tijd tot tijd passeren we die grens allemaal wel eens.’ Veel meer wil ze er niet over kwijt.

Sinds het verschijnen van haar laatste boek Mad, bad and sad, dat binnenkort in Nederlandse vertaling verschijnt, is ze zo’n een veelgevraagd spreekster op congressen van psychiaters, dat ze nauwelijks toekomt aan het voltooien van haar volgende boek, over liefde. ‘Ik ben nog altijd een beetje bang dat ik verkeerde dingen zeg op die congressen. ‘Ik ben schrijfster, een buitenstaander in de psychiatrie.’ Toch denkt ze dat psychiaters veel kunnen opsteken van haar studie over tweehonderd jaar vrouwen en psychiatrie. ‘Psychiaters krijgen een beperkte opleiding, ze leren op één manier te denken over psychische stoornissen. Ze verdiepen zich niet in de geschiedenis, denken niet over filosofie en literatuur. Maar het kan heel verhelderend zijn om eens verder te kijken dan de vuistdikke handboeken van de moderne psychiatrie.’

Iedere tijd heeft zijn eigen profeten en wondermiddelen, laat Appignanesi overtuigend zien in haar boek. Vandaag beloven psychiaters dat pillen ons van gekte kunnen genezen, zestig jaar geleden werden ‘geesteszieken’ ingespoten met grote hoeveelheden insuline. En steeds weer kijkt de volgende generatie met een gevoel van superioriteit terug op de merkwaardige inzichten van hun voorgangers. ‘Eind negentiende eeuw geloofden veel artsen in de helende kracht van telepathie. Daar lachen we nu om, maar toen vonden ze ook dat ze heel wetenschappelijk bezig waren.’ De wetenschappelijke inzichten van vandaag zullen morgen grotendeels achterhaald zijn, wil Appignanesi maar zeggen. ‘Wat meer bescheidenheid zou de moderne psychiatrie sieren. Er bestaan geen wondermiddelen om gekte te genezen. Daar is de menselijke geest te gecompliceerd voor.’

Waarom gaat uw boek speciaal over vrouwen en gekte?

‘Omdat psychiaters ongelooflijk boeiende casestudies over vrouwen hebben geschreven. Die studies zijn bepalend geweest voor de theorievorming in de psychiatrie. Bovendien zijn er prachtige verhalen, waarin vrouwen zelf hebben beschreven hoe ze periodes van gekte beleefden. Ik wilde een verhaal vertellen over levende wezens, niet alleen over psychiatrische gevallen. Het aardige is: ik hoor regelmatig van psychiatrische patiënten dat mijn boek hen helpt, en dat ze erover discussiëren. De vrouwen die ik beschrijf, hadden slechte periodes, maar ook periodes waarin ze prima functioneerden. Mensen die zwaar depressief zijn denken vaak: hier kom ik nooit meer uit. Het geeft hen moed te lezen dat dat lang niet altijd zo hoeft te zijn.’

Uw boek begint met het verhaal van Mary Lamb, een schrijfster die in 1796 in blinde woede haar moeder doodstak en vervolgens gek werd verklaard. Wat intrigeerde u in haar verhaal?

‘Dat ze ondanks periodes van waanzin toch een heel productieve schrijfster was. Door Mary gek te laten verklaren, kon haar broer haar uit de gevangenis houden. Vier jaar later werd de Engelse wet gewijzigd. Had Mary haar moeder toen doodgestoken, dan zou ze waarschijnlijk de rest van haar leven in een cel zijn weggekwijnd. In de loop van haar leven klopte ze regelmatig aan bij een gekkenhuis, omdat ze zichzelf niet meer in de hand had. Was ze twintig jaar later geboren, dan zou ze daar waarschijnlijk zijn opgesloten en zeker geen essays en verhalen hebben kunnen schrijven. Juist omdat ze net voor de opkomst van de psychiatrie leefde, kon ze een relatief normaal leven lijden, ondanks periodes van waanzin.’

Wilt u beweren dat het leven van mensen met psychische ziekten beter was voor de opkomst van de moderne psychiatrie?

‘Nee, zeker niet. Wie aan gekte leed had tweehonderd jaar geleden weinig keus. Als je familie of vrienden had die voor je zorgden, had je geluk. Anders werd je gedumpt in een gekkenhuis. De verhalen over de mensonterende toestanden daar zijn bekend. Mijn boek is geen aanklacht tegen de psychiatrie. Er zijn de afgelopen tweehonderd jaar verschrikkelijke dingen gebeurd in naam van de psychiatrie, maar veel psychiaters hadden oprechte belangstelling voor hun patiënten. Ze wilden hen begrijpen en helpen. Wat ik wil laten zien is dat de opvattingen over gekte in de loop van de geschiedenis steeds gewijzigd zijn. Iedere periode had zijn voorkeursvorm van gekte. Het is niet zo vreemd dat in onze tijd, waarin zoveel nadruk ligt op geluk, depressiviteit zo’n populaire ziekte is. Eind negentiende eeuw waren mensen met dezelfde problemen waarschijnlijk hysterisch verklaard en in de vijftiger jaren schizofreen.’

Iedere tijd heeft ook strikte regels over hoe je je moet gedragen als je gek bent, schrijft u.

‘Ja, dat is een van de dingen die me het meest hebben verrast tijdens de research voor mijn boek. Een mooi voorbeeld is de hysterie, die de Franse neuroloog Charcot eind negentiende eeuw heeft beschreven. Door toeval waren hysterici en epileptici in hetzelfde gebouw van zijn ziekenhuis ondergebracht. Wat Charcot bij zijn hysterische patiënten waarnam, was onder meer gedrag dat zij van hun epileptische medebewoners hadden overgenomen: spiertrekkingen en verkramping. Hij nam die keurig op in zijn theorie over de vier stadia van een hysterische aanval. Charcot gaf openbare patiëntendemonstraties van hysterici. De patiëntes die hij toonde, voelden haarfijn aan welk gedrag van hen werd verwacht. Ze veinsden verlamming, als het ware op bestelling. Zo ontstond het beeld van hysterie dat decennialang de medische literatuur overheerste. Heel interessant, want het laat iets zien over de wisselwerking tussen artsen en patiënten, tussen symptomen en diagnoses. Neem anorexia, de modeziekte van tegenwoordig. Voedsel weigeren is iets wat vrouwen vroeger ook wel deden als ze ongelukkig waren. Artsen uit de negentiende eeuw besteedden er weinig aandacht aan. Maar zodra iets als ziekte wordt erkend, gaan mensen zich er naar gedragen.’

Bedoelt u dat anorexiapatiënten zich aanstellen?

‘Zeker niet, ik zeg niet dat ze niet lijden. Niets is erger dan psychisch lijden. Ik constateer alleen dat patiënten een soort zesde zintuig ontwikkelen voor symptomen en ziektes die goed in de markt liggen. Ze weten met welk ziektebeeld ze op aandacht kunnen rekenen. Dat is heel begrijpelijk, als je lijdt wil je erkenning, een diagnose en een behandeling. Aan de andere kant, als je eenmaal zo’n etiket opgeplakt hebt gekregen, kom je er heel moeilijk weer van af. Je valt bijna samen met je ziekte. Het stigma dat aan psychische ziektes kleeft, maakt de relatie tussen patiënten en hun behandelaars heel gecompliceerd. Mensen willen erkenning voor hun problemen, maar ze zijn meer dan hun ziekte. ’

In de geschiedenis van de psychiatrie waren het vooral vrouwen die de psychiatrische inrichtingen bevolkten en op de sofa bij de psychiater belandden. Werden vrouwen gek gemaakt door de maatschappij?

‘Vrouwen die zich aan het einde van de negentiende eeuw of in de vijftiger jaren aan de kluisters van het vrouwenbestaan probeerden te onttrekken, waren per definitie verdacht. En de afgelopen tweehonderd jaar zijn er heel wat theorieën gebouwd over het overgevoelige vrouwenbrein. Maar het is te simpel om vrouwen louter als slachtoffer te zien. Vrouwen praten makkelijker dan mannen en ze gaan eerder naar de dokter. Mannen gaan liever naar de kroeg als ze niet lekker in hun vel zitten. Ik denk dat we ook onder ogen moeten zien dat er een verband bestaat tussen vrouwelijke ervaringen als menstruatie, bevalling, de overgang en geestelijke problemen. Het zou heel goed kunnen dat mannen ook periodes hebben waarin ze extra gevoelig zijn voor bepaalde psychische ziekten. Dat is nooit onderzocht. Psychiaters schrijven ook liever over vrouwen dan over mannen. Privé vertellen ze je van alles over hun mannelijke patiënten, maar ze zetten dat zelden op papier.’

Betekende gekte ook een ontsnappingsmogelijkheid voor vrouwen?

‘Ja, daarvan geef ik in mijn boek vele voorbeelden. Neem de negentiende-eeuwse dichteres Elisabeth Barret Browning. Een zeer intelligente jonge vrouw, die nadat haar moeder overleed onverklaarbare verlammingsverschijnselen kreeg. Ze bracht vele jaren in bed door, maar als haar geliefde langs kwam kon ze plotseling weer lopen. Ze was de oudste van veertien kinderen. Gekte bood haar de mogelijkheid om te doen wat ze het liefste wilde: studeren en schrijven. Anders had ze haar familie moeten verzorgen. Dat is een onbewuste keus wellicht. Een keus die je niet wilt maken, maar wel één, die bepaalde moeilijkheden oplost.’

Een van de vrouwen die u beschrijft is Marilyn Monroe, icoon van de vijftiger jaren. Ze was jaren in psychoanalyse, maar pleegde uiteindelijk zelfmoord.

‘Monroe had een moeilijke achtergrond, haar vader liet haar moeder voor haar geboorte in de steek en haar moeder stortte regelmatig in. Gewone dingen als afwassen, spelletjes doen of praten met familieleden had ze nooit geleerd. Critici zeggen dat haar psychiater haar passief en afhankelijk hield, maar ik denk dat hij iets heel vooruitstrevends deed, wat in Engeland sinds kort ook gebeurt bij borderliners. Ze mocht hem dag en nacht bellen en werd in zijn gezin opgenomen. Hij leerde haar een normaal leven te leiden. Maar haar probleem was, zoals ze zelf zei: I’m always running into people’s unconscious. Dat is wat we met beroemdheden doen. Iedereen heeft opvattingen over je en op het laatst heb je geen idee meer wie jezelf bent.’

Is Britney Spears de moderne Marilyn Monroe?

‘Ik ken haar achtergrond niet zo goed, maar ik denk dat de roem haar ook heeft genekt. Ze werd beroemd op jonge leeftijd, maakte furore als sexy maagd, maar kwam in de problemen toen ze moeder werd. In 2006 poseerde ze hoogzwanger en naakt in de Amerikaanse glossy Harper’s Bazaar: soft porno van een zwangere Venus. Dat geeft aan hoe ze verstrikt is geraakt in de fantasieën van anderen. Hoe kun je in godsnaam al die beelden verenigen en ook nog moeder van echte kinderen zijn?’

Terug naar de psychiaters. Vrouwen zijn steeds beter vertegenwoordigd in het kamp van de psychiaters en de psychologen. Is dat een vooruitgang?

‘In sommige opzichten wel. Vrouwelijke behandelaars hebben gezorgd dat er meer relatietherapie en andere vormen van gesprekstherapie kwamen. Er is meer oog voor seksueel geweld en eetstoornissen en hoe die vrouwenlevens kunnen ontwrichten. De andere kant is dat door de toegenomen aandacht voor specifieke problemen van vrouwen, nieuwe geestesziektes in zwang zijn geraakt. Kijk naar anorexia, boulimia, de meervoudige persoonlijkheidsstoornis: allemaal ziektes waaraan vooral vrouwen lijden. In de jaren tachtig hoopten feministen dat door de komst van vrouwelijke behandelaars, vrouwen minder vaak gek zouden worden verklaard. Maar het tegendeel is waar.’

Is er in die tweehonderd jaar psychiatrische geschiedenis eigenlijk wel echte vooruitgang geboekt?

‘De levensomstandigheden van psychiatrische patiënten zijn behoorlijk verbeterd, en het besef is doorgedrongen dat iedereen vroeg of laat met een stoornis te maken kan krijgen. Dat is winst, maar voor de rest ben ik niet optimistisch. Door de groei van de psychiatrie zijn steeds meer emoties en gedragingen, die vroeger als normaal werden beschouwd, gemedicaliseerd. Tijdens mijn onderzoek stuitte ik op een lijstje met oorzaken van psychische ziekten uit het begin van de 19e eeuw, variërend van jaloezie en erfelijkheid tot alcoholgebruik. Eigenlijk stond daar alles in waarvan we weten dat het invloed heeft, en dat paste op een half velletje. Vergelijk dat eens met de 940 pagina’s tellende DSM, de bijbel van de moderne psychiatrie. Die beschrijft psychische stoornissen in termen van symptomen, los van de context waarin ze ontstaan. En die duizenden symptomen beslaan zowat ieder aspect van menselijk gedrag. Vroeger was je verdrietig als je iets akeligs had meegemaakt, nu krijg je het etiket depressief. Dat ligt niet alleen aan de psychiatrie. In ons streven naar perfectie en geluk verwachten we steeds meer van psychiaters en psychologen.’

Maar die weten tegenwoordig toch ook meer over psychische ziekten?

‘Dat betwijfel ik. Het percentage genezingen is de afgelopen tweehonderd jaar niet toegenomen. Net als iedereen geloof ik graag dat we in een wetenschappelijk tijdperk leven. Maar als er één ding is wat mijn boek laat zien, is dat er geen absolute remedie is voor psychische ziektes. Hypnose, psychoanalyse, warme baden, gesprekstherapie, insulineshocks: het is allemaal geprobeerd. Met wisselend succes, maar geen enkel middel werkte voor iedereen en voor altijd. De meeste stoornissen zijn te genezen met pillen, vertellen psychiaters ons tegenwoordig. Dat is onzin. Sommige mensen voelen zich beter door een antidepressivum, maar het effect van placebo’s is haast net zo groot. Mensen zijn gecompliceerde wezens en de vreemdste dingen kunnen helpen. Naar een leesclub gaan, hardlopen in groepsverband. Let wel: ik heb het over milde stoornissen.’

Voor welke behandeling zou u zelf kiezen als u depressief werd?

‘Mijn parool is: kies de therapie die het minst schadelijk is. Ik heb een voorkeur voor gesprekstherapie. Gesprekstherapie mag dan misschien niet altijd helpen, het doet ook weinig kwaad. En je telt als individu. Gehoord en serieus genomen worden: dat lijkt me het meest cruciale ingrediënt van een succesvolle behandeling. Of het nu een dokter is of een vriend die naar je luistert, maakt misschien niet eens zoveel uit. Het verdrietige is natuurlijk dat sommige mensen geen andere relatie hebben dan die met hun behandelaar. Toch denk ik dat we onze ziel en zaligheid niet volledig in handen van psychiaters en psychologen moeten leggen. Zij kunnen ons niet gelukkig maken. Ik vrees dat we moeten accepteren dat er lang niet altijd een oplossing is, voor al het lijden dat bij het leven hoort.’

Gek, slecht en droevig. Geschiedenis van vrouwen en psychiatrie van 1800 tot heden. Lisa Appignanesi. ISBN 978 90 234 4059 8, Uitgeverij De Bezige Bij (2009).