Selecteer een pagina
‘Door een ander iets te gunnen kweek je vertrouwen’

Psycholoog Paul de Lange
‘Door een ander iets te gunnen kweek je vertrouwen’

Vrijgevigheid, altruïsme, iets voor een ander overhebben: Paul van Lange houdt zich al meer dan dertig jaar bezig met de betere kanten van menselijk gedrag. Hij praat vol vuur over de resultaten van zijn onderzoek.

 Maar er komt ook altijd iets ongemakkelijks over hem als hij een interview geeft over deze onderwerpen, vertelt hij in zijn werkkamer in Amsterdam. Het voelt soms alsof hij iets predikt wat hij zelf maar half waarmaakt: ‘Je gaat je toch afvragen: doe ik wel genoeg voor anderen? Ik heb niet uitzonderlijk veel inlevingsvermogen en heb nog nooit iemand van de verdrinkingsdood gered. Ik probeer oog te hebben voor de mensen om me heen, maar doe vaak de deur van mijn werkkamer dicht. Even niks hoeven voor of met anderen is ook prettig.’

Niets menselijks is hem vreemd, wil hij maar zeggen. Maar zijn onderzoeken hebben hem er ook van overtuigd dat we weinig opschieten met onszelf of anderen de maat te nemen. ‘In plaats van elkaar allerlei normen en regels op te leggen, kunnen we beter de psychologische mechanismen achter vrijgevigheid en samenwerking activeren.’

Zoals empathie?

‘Dat is inderdaad een van de mechanismen waardoor mensen spontaan iets voor een ander gaan doen. Een

kind maakt een smak met zijn fiets en zonder na te denken schiet je te hulp. Iemand slaat met een hamer op zijn vingers en je voelt die pijn zelf ook: au! Empathie is sterk geworteld in ons biologische systeem en wordt snel geactiveerd door een ander levend wezen dat onrecht wordt aangedaan of pijn heeft. Je moet gewoon helpen. Het is een soort oerinstinct, een emotie die je gedrag snel en onbewust stuurt.’

Is empathie iets anders dan inlevingsvermogen?

‘Ja, het is belangrijk verschil te maken tussen die twee. Inlevingsvermogen is een sociaal-cognitieve vaardigheid, die zich bij de een meer ontwikkelt dan bij de ander. Het gaat over het perspectief van anderen zien, begrijpen wat die voelen, doen en denken. Je kunt inlevingsvermogen inzetten om te helpen, maar ook om iemand dwars te zitten. Kijk naar managers die uitermate vaardig zijn in het lezen van het gedrag van anderen én dat strategisch gebruiken om eigen doelen te bereiken.
Empathie kan wel aangewakkerd worden door inlevingsvermogen: bijvoorbeeld doordat je ziet dat een ander verdrietig is. Maar ook als je weinig inlevingsvermogen hebt, kan empathie je gedrag bepalen. Je ziet dat al bij kinderen van vier jaar. Die zijn nog niet in staat om zich te verplaatsen in anderen, maar hebben wel empathie. Als ze Bambi zien, moeten ze huilen en willen ze direct hun liefste knuffel geven om dat kleine hertje te helpen.’

Het is dus iets wat vrijwel iedereen in zich heeft?

‘Ja, en het heeft ook niets te maken met morele principes of politieke voorkeur. Het mooie vind ik dat ook onbekenden onze empathie kunnen oproepen. Neem het beeld van dat verdronken Syrische jongetje dat in 2015 aanspoelde aan de Turkse kust. Daar wordt vrijwel iedereen door geraakt, inclusief mensen die weinig van vluchtelingen moeten hebben.’

Toch zijn we vluchtelingen niet massaal gaan helpen.

‘Nee, empathie is een vluchtige emotie. Ze verdampt snel als je haar niet direct in actie kunt omzetten. Ze is ook sterk gericht op één persoon. Het is heel moeilijk om empathie te voelen voor een groep. Hoe dat komt, weten we niet precies. Een groep kun je niet goed helpen, dat zou kunnen meespelen.
Tussen groepen gaat het sowieso vaak slecht. Het overheersende idee is dat de eigen groep meer moet krijgen dan de andere groep. Wantrouwen tussen groepen zit als het ware in de menselijke natuur ingebakken.’

We willen dus best iets doen voor een ander, maar zijn ook wantrouwend. Hoe zit dat?

‘Uit onderzoek weten we dat zo’n zestig procent van de mensen een pro-sociale houding heeft. Dat betekent dat ze zich coöperatief opstellen en iets voor de medemens willen doen. Hoe ouder, hoe socialer: door ervaring leren we dat sociaal gedrag op lange termijn meer oplevert dan egoïsme.
Maar pro-sociale mensen zijn geen doetjes. Als ze het gevoel hebben dat hun meegaande instelling wordt misbruikt of onbeantwoord blijft, gaan ze zich snel harder gedragen.’

Begrijpelijk toch?

‘Ja, maar we houden te weinig rekening met ruis op de lijn. Als ik iets aardigs voor een ander wil doen, wil dat niet zeggen dat het ook lukt. Ik probeer op tijd te komen voor een afspraak, maar door iets onvoorziens kom ik te laat. Ik wil mijn buren uitnodigen voor een etentje, maar er komt steeds iets tussen. Dan kan de ander gaan denken dat ik onverschillig ben.
Dat gevoel wordt versterkt doordat we er systematisch van uitgaan dat anderen meer uit eigenbelang handelen dan wijzelf. Dat blijkt steeds weer uit experimenten over samenwerking en vrijgevigheid. We onderzoeken dat in laboratoriumexperimenten met spelletjes waarin proefpersonen meer of minder geld in een gemeenschappelijke pot kunnen doen. Als mensen moeten voorspellen wat een onbekende in de pot zal doen, schatten ze die stortingen altijd te laag in. Dat heet de mythe van het eigenbelang. We beschouwen onszelf als zeer bovengemiddeld als het gaat om rekening houden met anderen, eerlijkheid en vrijgevigheid. Het is altijd de ander die zich laat leiden door eigenbelang.’

“Het is heel moeilijk om empathie te voelen voor een groep”

We zouden anderen dus vaker het voordeel van de twijfel moeten geven.

‘Ja, want voor je het weet wordt de mythe van het eigenbelang een selffulfilling prophecy: als je denkt dat een ander minder geeft, ga je zelf ook minder geven, en zo zet je een spiraal van wantrouwen in gang. Je zou juist precies het omgekeerde moeten doen: net ietsje meer geven dan je hebt gekregen of verwacht te krijgen. Rekening houden met ruis, daar gaat het eigenlijk om.
We hebben dat uitgebreid getest in experimenten waarin mensen tien munten aan een gemeenschappelijke pot konden geven. Af en toe manipuleerden we het spel; dan zorgden we ervoor dat er van de zes munten die een proefpersoon had gegeven, maar vier in de pot kwamen. Zo’n proefpersoon was dan dus minder coöperatief dan hij wilde, net als in het echte leven. We zagen dat veel medespelers daar direct op reageerden. Die gaven ook vier munten terug. Maar sommige mensen lieten zich minder beïnvloeden door het gedrag van de ander. Zij gaven vijf munten terug. Als dat gebeurde, gaf de rest de volgende keer ook net iets meer aan de gemeenschappelijke pot.’

Wat kunnen we daarvan leren?

‘Dat het juist in ruisgevoelige situaties belangrijk is om vertrouwen te behouden en op te bouwen. Dat doe je door net even wat coöperatiever te handelen dan de ander. Als ik vier munten krijg, geef ik er vijf; krijg ik er zes, dan geef ik zeven. Zo stimuleer je onderlinge samenwerking en vrijgevigheid. Dat werkt veel beter dan precies even vrijgevig te zijn als de ander, zoals vier om vier of zes om zes.
Vertrouwen in anderen communiceren werkt. Niet denken: zie je wel, ik kan beter voor mezelf kiezen, want dat doen anderen ook. Maar met iets kleins laten weten waar je zelf naartoe wilt.
Belangrijk is om te beseffen dat vertrouwen iets is wat je steeds moet bevestigen. Vertrouwen is sterk omgevingsafhankelijk. Het is dus niet iets wat mensen hebben of niet hebben, het is een van de weinige eigenschappen die nauwelijks genetisch bepaald zijn.’

Hoe weet u dat?

‘Dat hebben we twee jaar geleden samen met tweelingonderzoekers ontdekt. De erfelijkheid van vertrouwen bleek lager dan tien procent. Voor eigenschappen als extraversie of zelfs politieke voorkeur ligt dat in de buurt van dertig procent.
Dat de omgeving cruciaal is, zien we ook terug in onderzoek naar nationale verschillen op dit gebied. Bij mensen die emigreren van landen met weinig vertrouwen, zoals Turkije of Griekenland, naar landen met veel vertrouwen, zoals Denemarken of Duitsland, zie je een snelle toename van vertrouwen in anderen. Daarom denken we dat recente ervaringen een grote rol spelen: of je een inbraak of ontslag hebt meegemaakt, of juist positieve ervaringen had. Dat iemand je belangeloos heeft geholpen bijvoorbeeld. Het mooie is dat vertrouwen snel kan groeien als je ervaart dat anderen iets kleins voor je overhebben.’

Het gaat dus niet per se om grote opofferingen?

‘Nee. En dat is een nieuw inzicht. De meeste psychologische onderzoeken over sociaal gedrag en altruïsme gaan over het grote gebaar: iemand die een nier doneert of veel meer geeft dan hij krijgt. Dat we juist door kleine dingetjes meer vertrouwen en medeleven bij anderen kunnen oproepen, krijgt pas sinds kort aandacht.
Dan heb je het over social mindfulness, een nieuw begrip in de sociale wetenschap. Het komt erop neer dat je via kleine details wederzijds respect uit. Dat je subtiel laat zien dat je rekening houdt met een ander. Dat kan bijvoorbeeld door een ander een keuze te laten in plaats van die weg te nemen. Stel dat je mag kiezen uit drie pennen, twee blauwe en één rode. Kies je de rode, dan ontneem je de ander de keuze. Door de blauwe te kiezen, bied je de ander dezelfde keuzemogelijkheid als jijzelf had. Dat werkt als een tierelier, blijkt uit onze experimenten. Je kweekt vertrouwen. En dat betaalt zich direct terug, omdat de ander jou ook meer gunt.’

Kun je leren sociaal mindful te zijn?

‘Dat denk ik wel. Het gaat erom dat je ter plekke andermans noden of wensen ziet en daar ook naar handelt. Dat is een soort vriendelijkheid die weinig kost en niet uitzonderlijk veel inlevingsvermogen vraagt. Stel dat een onbekende op straat vraagt of je een goed restaurant weet. Je kunt zeggen: om de hoek is een lekker restaurant. Maar als je vraagt: waar gaat uw voorkeur naar uit? toon je meer social mindfulness. Dan kun je niet alleen beter advies geven, maar laat je ook zien: ik ben geïnteresseerd in jou.’

Zijn er nog meer dingen die ons stimuleren meer voor elkaar over te hebben?

‘Cameratoezicht kan bijvoorbeeld helpen. Daar is veel discussie over in verband met de privacy, maar ons onderzoek heeft aangetoond dat mensen niet alleen minder agressief zijn als ze weten dat er camera’s hangen, ze zijn ook hulpvaardiger.
Ook roddelen kan helpen om egoïstisch of asociaal gedrag tegen te gaan. Mensen vinden het namelijk heel belangrijk wat anderen van ze vinden. Dat is evolutionair verklaarbaar: we willen niet uit de groep verstoten worden. Daarom is roddelen toestaan een makkelijke manier om coöperatief gedrag te stimuleren. Het mag niet de spuigaten uitlopen, maar mensen blijken meer geneigd tot samenwerking als ze weten of denken dat hun gedrag en reputatie onderwerp van gesprek zijn.’

Paul van Lange (1961) is hoogleraar sociale psychologie aan de Vrije Universiteit. Daarnaast is hij als onderzoeker verbonden aan de University of Oxford. Hij onderzoekt altruïsme, vrijgevigheid, samenwerking en empathie, maar ook thema’s als competitie, corruptie, en geweld. Van Lange geeft workshops over veiligheid, vertrouwen en samenwerking aan burgemeesters in Nederland en begeleidt in zijn vrije tijd het meisjesvoetbalteam waar zijn dochter in speelt. www.paulvanlange.com