Selecteer een pagina
De wereld van voetbalscout Piet de Visser

Interview
De wereld van voetbalscout Piet de Visser

Liefde voor de bal bracht hem over de hele wereld. Tijdens zijn speurtocht naar talent werd internationaal voetbalscout Piet de Visser (70) verliefd op Afrika en Brazilië. Maar de ontdekker van Ronaldo en Leonardo werd neergezet als kinderlokker, iets wat hem nog altijd dwars zit.

‘Daar ben ik een held, hier moet ik vechten tegen betweters.’ Zonder voetbal zou het leven van veel mensen er een stuk ellendiger uitzien, is zijn overtuiging. Inclusief dat van hemzelf. Ondanks ernstige ziektes slaat hij geen Afrika Cup over. Met een koffer gevuld met astronautenvoedsel speurt hij naar nieuwe pareltjes. ‘Ik lééf op voetbal.’

Bijna was de afspraak niet doorgegaan. Piet de Visser, herstellend van 35 bestralingen in een kankercentrum, heeft een paar slechte dagen achter de rug. Hij verging van de pijn, maar is toch naar stadion Galgenwaard in Utrecht gekomen. Over anderhalf uur begint Brazilië – Argentinië, de halve finale van het WK onder de 20. Om op de been te blijven heeft hij een spuit gehaald bij de dokter. Deze topper wil hij niet missen. ‘Voor geen goud’, zegt De Visser, terwijl hij wit poeder uit een plastic kuipje in zijn thee strooit. De voetbalscout van PSV heeft sinds vijf jaar geen slokdarm meer. Hij leeft op astronautenvoeding. Maar zijn ogen gaan glimmen als hij over de wedstrijd begint. ‘Er zit zoveel vuur in die knapen.’

De Visser kent alle spelers. De meesten volgt hij al jaren, bij hun eigen club, tijdens trainingen en toernooien. ‘Beresterke mandekker’, schrijft hij dan bijvoorbeeld in zijn notitieblok. Of: ‘Schiet veel en hard.’ Een goede scout gaat niet af op één wedstrijd, vindt De Visser. Die gaat nog eens kijken. En nog eens. Hij vertelt over toptalent Adriano. Snel kopen die knaap, adviseerde hij PSV, nadat hij de Braziliaan diverse keren had zien schitteren. De trainer van PSV wilde het voetbalwonder met eigen ogen zien. ‘Hij zag een belabberde wedstrijd in de brandende middagzon. Die kerel is nog te slecht voor het tweede van PSV, vond hij. Nu is diezelfde Adriano goud waard’, grijnst De Visser.

Heel soms loopt hij zomaar een supertalent tegen het lijf. De Braziliaanse dribbelaar Robinho bijvoorbeeld. ‘Ik was meteen gek van hem. Hij had alles: techniek, snelheid, spelinzicht. Die wil je gelijk hebben. We hebben twee jaar achter hem aan gezeten met PSV. Inmiddels is hij te duur.’

De spijt in zijn stem verdwijnt spoorslags als hij vertelt over de nieuwe generatie Brazilianen: jongens onder de zeventien. ‘Wat een talenten komen er weer aan!’ Over een maand stapt hij weer in het vliegtuig. Als zijn vrouw het tenminste goed vindt.

Bent u altijd voetbalgek geweest?

‘Als jochie van zeven organiseerde ik al straatvoetbalwedstrijden in Vlissingen. Geen idee van wie ik het heb. Ik kom uit een christelijke familie, niemand raakte een bal aan bij ons thuis. Mijn vader had een groentehandel. Ik moest als jochie mee om kisten uit te laden. Als we langs een veldje kwamen waar werd gevoetbald, was kleine Piet al uit de achterbak geklommen. Mijn vader kon blijven toeteren: er werd geen kist meer uitgeladen. Ik ben dat voetbalvirus nooit meer kwijtgeraakt. Zesendertig jaar ben ik trainer geweest. Toen ik na een zware hartoperatie werd afgekeurd, ben ik internationaal scout geworden. Eerst voor Feyenoord. Later voor PSV.’

Hoe word je voetbalscout?

‘Als trainer had ik al een neusje voor talent. Altijd informeren waar goede spelers zaten en die naar de club halen. Ik had een groot netwerk in Nederland, later ook in België en Denemarken. Via Willem II, de club waarvan ik trainer was, ben ik in contact gekomen met het Afrikaanse voetbal. In 1988 werden we in Gabon uitgenodigd. Mohammed Sylla, toen zeventien jaar, dribbelde heel onze verdediging zoek. Hij maakte twee goals. Ik was kwaad dat we verloren. Maar ook gelukkig dat ik zo’n schitterend jong talent zag. Een jaar later hebben we hem voor een klein bedrag naar Willem II kunnen halen. In ruil daarvoor ben ik een aantal maanden naar Gabon geweest om zijn oude club stages te geven. Langzamerhand kreeg ik steeds meer contacten in Afrika. In mijn vakanties bij Willem II coachte ik de nationale jeugdploeg van Guinee. Dat was feest voor mij.’

‘Ik ben altijd reislustig geweest. Mijn klasgenoten kwamen vroeger niet verder dan de speeltuin in Oisterwijk. Ik ging op de fiets naar Parijs en Zwitserland om wedstrijden te zien.’

Is Afrika uw voetbalparadijs?

‘Afrika én Brazilië. Hier gaan kinderen computeren of paardrijden. In die landen hebben ze alleen een bal. Ze zijn met gemak vier uur per dag aan de bal. Geen wonder dat ze zo’n fabelachtige techniek hebben.

Ik werk met een heel netwerk van tipgevers. Voorzitters van kleine clubjes, trainers van voetbalschooltjes, mensen van de straat. Velen zijn vrienden geworden. Met de big shots van de grote clubs wil ik niets te maken hebben. Die hebben allemaal dollartekens in hun ogen. Ik was vooral gek op West-Afrika. Op het voetbal, maar ook op de mensen. Altijd vrolijk en bezeten van sport, net als ik.’

Is de liefde bekoeld?

‘Ik heb een haat-liefdeverhouding met West-Afrika. Ik ging altijd op reis met shirts en ballen voor de arme sloebers daar. Maar ik heb meegemaakt dat een hele container vol prachtig spul, ingezameld door onze mensen in Tilburg, werd leeggeroofd door een legerkapitein. Dat was nota bene in Burkina Faso, een van de armste landen ter wereld. Zo heb ik vele keren mijn neus gestoten. In Guinee, waar ik adviseur was van de voetbalbond, staken de heren bestuurders de centen ook liever in eigen zak. In Brazilië is het trouwens precies hetzelfde. Mijn hart keert om als ik kinderen lijm zie snuiven op straat. Of meisjes van dertien die zich aanbieden voor seks, met een baby onder de arm. Soms zou ik het wel uit willen schreeuwen: help die kinderen! Want er is geld zat in die landen, daar ben ik na al die jaren heilig van overtuigd.’

U kunt de droom van iedere Afrikaanse en Braziliaanse voetballer realiseren: een contract met een Europese club.

‘Ja, dat is wel eens lastig. Dan belt zo’n voorzittertje: “ik heb nu de nieuwe Cruijff voor je.” Kom ik bij die club en iedereen wil met me mee. Ik leg die jongens uit dat ze beter daar kunnen blijven, omdat ze het talent niet hebben. Ook als ze wel talent hebben, vind ik dat ze zo lang mogelijk daar moeten blijven, om te rijpen. Veel clubs kopen veel te jonge jongens, omdat ze dan nog te betalen zijn. Ik begeleid nu twee Braziliaanse jongens van dertien en veertien jaar. Eén zat al in Moskou. Die heb ik teruggehaald: hup naar je eigen school tot je goed genoeg bent.’

Toch haalde u zelf Leonardo ook als elfjarig jochie weg bij zijn familie in Brazilië om bij Feyenoord te spelen.

‘Ik werd zandbakscout genoemd. Heel Nederland viel over me heen, terwijl niemand de achtergrond kende. Tegen die betweters moet ik nog altijd vechten. Piet is weer met die kleine jongens bezig, zeggen ze dan.’

U wordt weer kwaad.

‘In Brazilië was ik een held omdat ik een arm joch uit de favela haalde: een krottenwijk zonder water en elektriciteit. Die jongen kreeg een opleiding en kon een flatje voor zijn moeder kopen. De hele familie was content. Je mag er duizend komen halen, zeiden ze.’

En kinderen zonder dat talent? Hebben die gewoon pech?

‘Je moet ook wat terug doen, dat vind ik wel. We steunden daar een voetbalschooltje, gerund door mijn Braziliaanse vrienden. Maar na alle kritiek trok Feyenoord zijn handen ervan af. Ik ben nog op eigen kosten teruggegaan met een koffer vol ballen.’

Wat betekent zo’n voetbalschool voor een krottenwijk?

‘Als die schooltjes en straatclubs er niet zouden zijn, was er veel meer ellende. Iedereen voetbalt, vaak met blikjes en stenen, op afgetrapte veldjes. Gooi een bal op een veld en wat een vreugde! ’s Ochtends trainen en ’s middags school: ik promoot het al tien jaar, ook bij de lokale clubs. In Brazilië gaat het langzaam de goede kant op. Sommige grote clubs leggen voetbalveldjes aan in arme wijken. De voetbalscholen waar ik bij betrokken ben, hebben al heel wat jongens van de straat gehaald.’

En meisjes?

‘Meisjes moet je ook een bal geven en opleiden. Natuurlijk. Vooral in Brazilië. Die meiden kunnen voetballen, ongelofelijk. Ik heb daar meisjes gezien, ik was stinkjaloers op hun techniek. Doodzonde dat ik geen meisjes kan scouten.’

Terug naar de spelershandel. De Nederlandse regels zijn inmiddels flink aangescherpt.

‘Pure discriminatie. Nederland is haast onbereikbaar geworden voor Afrikaanse voetballers. Als jouw kind viool speelt en de beste vioolschool is toevallig in Moskou, moet hij daar toch naartoe kunnen? Voetbal is voor Afrikanen en Brazilianen een van de weinige mogelijkheden om geld te verdienen in het buitenland. Ze onderhouden hun hele familie ermee. Dat wordt nu afgepakt.’

Die regels zijn bedoeld om excessen tegen te gaan. Die zijn er toch wel degelijk?

‘Laatst nog werd ik gebeld door een jongetje uit Ghana. “Ik zit in Israël, zonder eten, en ik kan nergens terecht.” Die knul was voor een paar honderd dollar meegesjouwd naar Israël. De agent kon hem bij geen club kwijt en liet hem aan zijn lot over. In de voetballerij wemelt het van de illegale makelaars. Die moet je keihard aanpakken. Maar Nederlandse clubs werken daar niet mee. Ze zorgen voor fatsoenlijke contracten en goede begeleiding.’

Sommige Nigeriaanse voetballers op het WK onder de 20 oogden stukken ouder. Wat denkt u: hebben ze met hun leeftijd gesjoemeld?

‘Ach, dat gezeur over leeftijd altijd. De kinderen daar zijn veel sneller volwassen. In Guinee had ik een paar jongens in mijn jeugdelftal die me erg oud leken. Bomen van kerels met de baard in hun keel. Bij het WK in Equador pikte de Fifa er vier uit, waarvan de leeftijd niet klopte. Wat denk je? Het waren kleine guppies van wie ik het nooit had verwacht. Ik wil maar zeggen: je kan dat niet beoordelen via de buis. En door de jarenlange controle van de Fifa is sjoemelen bijna onmogelijk.’

Waarom breken zo weinig Afrikaanse voetbaltalenten echt door in de Europese competitie?

‘Afrikanen hebben misschien het imago dat ze hier mislukken, maar dat klopt helemaal niet. Kijk naar wereldspits Weah bij Milaan, Makelele bij Chelsea, de gebroeders Kalou. Ik kan zo twintig, dertig Afrikanen noemen die tot de top van het Europese voetbal gerekend kunnen worden.’

Over Feyenoord-spits Kalou gesproken: wat vindt u ervan dat minister Verdonk weigerde hem versneld te naturaliseren, zodat hij voor het Nederlands elftal kan uitkomen?

‘Verdonk moet dat gewoon doen. Hij is hier opgegroeid, hij wil graag en is een aanwinst voor het Nederlands elftal. Maak een uitzondering, dat is al veel vaker gebeurd.’

U geeft ook adviezen aan Chelsea-eigenaar Roman Abramovitsj. Stuit u dat als voetballiefhebber niet tegen de borst: zo’n steenrijke oliemagnaat die een heel elftal bij elkaar koopt?

‘Meneer Abramovitsj is een groot liefhebber. Verder wil ik er niets over zeggen. Ik vind het jammer dat het in de pers is gekomen.’

U bent zwaar hartpatiënt en u heeft kanker. Denkt u nooit: ik blijf lekker thuis?

‘Ik lééf op voetbal. En op die reizen. Vijf jaar geleden, toen mijn slokdarm is verwijderd, heb ik zes maanden thuisgezeten. Ik moest zittend slapen, dat was lastig. Hele nachten bekeek ik videobanden, honderden wedstrijden. Op een dag kwam de voorzitter langs met een nieuwe zak met banden. “Ik ga kapot, ik moet gras ruiken en mensen zien”, zei ik. Mijn vrouw had het ook door. Ze gooide alle ballen uit mijn koffer en stopte er poeders en blikken astronautenvoedsel in. Twee weken later zat ik bij de Afrika Cup in Burkina Faso.’

‘Mijn Afrikaanse vrienden kenden me als een robuuste kerel, maar ik was twintig kilo afgevallen. Ik ging lekker in het zonnetje zitten, in mijn blote bast. Ze keken verbaasd naar dat litteken van mijn keel tot mijn navel. Ik was Mister Wonderman. Als ik een Afrikaan was geweest, was ik dood geweest. Ik kwam terug in Nederland als een ander mens. Gebruind, maar vooral: mentaal sterker. Sindsdien ga ik zo vaak mogelijk. Als de club het niet betaalt, ga ik op eigen kosten. Het is niet alleen het voetbal. Afgelopen november kreeg ik voor de tweede keer kanker. Voordat een Nederlander kon zeggen: Piet, wat erg voor je, had ik al smsjes van straatjongens uit Afrika en Brazilië: “We pray for you, Mister Piet”. Heel liefdevol. Dan denk ik: ik blijf niet voor niets op de been.’

Droomt u wel eens van Azië?

‘Dat is natuurlijk enorm in opkomst als voetbalregio. Ik volg dat nauwlettend. Ze trainen fanatiek, urenlang, elke dag. Daar zouden voetballers hier een voorbeeld aan kunnen nemen. In Japan heb ik stages gedaan maar in China en Korea ben ik nog niet geweest. Als mijn lijf het toelaat, gaat dat zeker nog komen.’